Lage Mierde: een monument dichtbij en ver weg.

Aan het eind van de middag reden we dan eindelijk naar het woonoord Lage Mierde. De plek van het kamp is nu de gemeentewerf aan het Vloeieind. Om er te komen reden we langs de oude boerderijen van Lage Mierde en het dorp uit. Dit kamp lag niet heel erg afgelegen, maar wel ver van de dorpskern omdat het dorp zo lang is. Na de vondst in Baarschot is het even andere koek bij Lage Mierde. Er is werkelijk niets over van het voormalig woonoord. De gemeentewerf laat alleen de vorm van het kamp nog zien. Een rechthoek omgeven door bomen.

De lokatie van het kamp Lage Mierde, nu de gemeentewerf.
De lokatie van het kamp Lage Mierde, nu de gemeentewerf.

Er is wel een herinnering aan het woonoord, vlak bij de nabijgelegen rotonde staat een monumentje. Het is eigenlijk wel prettig dat het niet op de exacte lokatie staat, want nu is er wat groen omheen en komen veel mensen er langs.

Monument ter herinnering aan het Molukse woonoord Lage Mierde
Monument ter herinnering aan het Molukse woonoord Lage Mierde

Het monument verbeeld de verbondenheid tussen Nederland en de Molukken, gesymboliseerd door een brug tussen twee palen. Op de linker paal staan de Molukken afgebeeld en op de rechterpaal staat Nederland. Op beide palen is een kleine bronze plak bevestigd. De linker paal is een eerbetoon aan de eerste generatie die ter goede trouw waren gekomen en niet meer terug zouden keren. De volledige tekst is: “In geloof en vertrouwen gehoorzaamden ze en vertrokken naar een vreemd land. Wat hen beloofd was zagen ze geen werkelijkheid worden. Ze leefden als vreemdelingen en gasten.” Er leidt hier geen twijfel over het verdriet wat hen is aangedaan. De rechterpaal laat de plattegrond van het kamp zien met de namen van de families die er gewoond hebben.

Bij de onthulling van het monument in 2011 had de Molukse gemeenschap in samenwerking met het museum De Bewogen Jaren grote doeken met oude foto’s van het kamp geplaatst op de gemeentewerf, zodat men nog een beetje de oude sfeer kon proeven.

Lage Mierde was een gemiddeld kamp voor 18 gezinnen met in totaal ongeveer 130 bewoners. Het kamp werd pas in 1954 in gebruik genomen en zou in 1962 weer verlaten worden. Als je de kranten moet geloven is er weinig gebeurd, want ik kon maar één artikel terugvinden, waarbij Lage Mierde alleen kort genoemd wordt in een lijst van nieuwe kampen. Het bezoek aan het museum De bewogen jaren was daarom zo leuk. Daar zagen we de foto’s van alle mensen en alle activiteiten die ze gedaan hebben. Niks saaie boel, maar een levendige gemeenschap.

Postermap uit het Museum de Bewogen Jaren met foto's van kinderen uit kamp Lage Mierde, die allerlei activiteiten uitvoeren zoals toneelspel en dans.
Postermap uit het Museum de Bewogen Jaren met foto’s van kinderen uit kamp Lage Mierde, die allerlei activiteiten uitvoeren zoals toneelspel en dans.

Er is ook nog een monument op afstand en dan doel ik niet op de voetballer Simon Tahamata die in Lage Mierde woonde. Een barak uit het kamp is namelijk in 2003 afgebroken en heropgebouwd in het Openlucht Museum te Arnhem. Hier vertegenwoordigt de barak de Molukse woonoorden in Nederland. Het was de barak van de beheerde en de keuken. In Arnhem is echter een Moluks woongedeelte nagebouwd in een deel van de barak. Daar moeten we dus ook nog eens op bezoek.

Museum De Bewogen Jaren.

Bij ons bezoek aan Baarschot had Wim ons geadviseerd om ook even naar het museum van John Meulenbroeks te gaan bij café de Bijenkorf in Hoge Mierde. Zo trokken wij verder en verwachtte een zolderkamermuseum boven het café. Bij het café aangekomen bleek de zolderkamer echter een klein museum even verderop in een oud bankgebouw. We werden ontvangen door een vriendelijke vrijwilliger die ons uitlegde wat er te zien was. Het museum De Bewogen Jaren gaat vooral over de oorlogsjaren in Nederland en Indonesië in de periode 1939-1950. Maar er is ook een klein deel van het museum dat over kamp Lage Mierde gaat.

Foto van kamp Lage Mierde
Foto van kamp Lage Mierde voor de Molukse bewoning, naast de vitrine.

Als eerste werden we geleid naar een kleine vitrine met materiaal uit verschillende tijden van het kamp. Op de bovenste plank lag een grote pollepel en schuimspaan. De centrale keuken was iets uit alle fasen van het kamp of het nu ging om de DUW-arbeiders, gedwongen arbeid tijdens de oorlog, herstellende kinderen of Molukse bewoners, iedereen at wat de pot schaftte. Naast de vitrine hing een oude foto van het kamp uit de tijd voor de Molukse bewoners. Daaronder hing een foto van dezelfde barak in het Arnhems openlucht museum.

Vervolgens werden we naar de achterste ruimte geleid waar een Indonesische kamer was ingericht. Het museum maakt weinig onderscheidt tussen de verschillende kanten in de oorlog en de daaropvolgende koloniale oorlog. Het is vanuit een Nederlands perspectief gemaakt. Maar meer nuance is ook niet het doel van het museum. De ruimte staat vol met vitrines waar levensgrootte poppen in uniform staan. Daar tussendoor staan vitrines met allerhande spullen. Zo liggen er in een vitrine over de reis van en naar Indonesië enkele biljetten scheepsgeld. Hier had ik al over gelezen in het boek Ombak Maluku, en nu zag ik het in het echt. Wel geld van een andere boot, maar toch een heel herkenbaar iets. Verder zijn er oude pakjes sigaretten en etenswaren. Wat ik bijzonder vind waren de geborduurde lappen stof uit de interneringskampen. Maar daar waren we niet voor gekomen. Wat voor ons de aandacht had waren de mappen achterin.

Poster in museum de bewogen jaren met daarop de namen van twee Molukse families uit kamp Lage Mierde
Posterblad met familie beschrijving en bijbehorende foto’s in Lage Mierde.

Achterin hangen postersmappen met daarin lijsten van de families uit kamp Lage Mierde met daaronder foto’s. Het zijn familiekiekjes, maar die geven juist een mooie inkijk in het dagelijks leven. Naast de portretfoto’s die serieus overkomen, zijn er spelende kinderen te zien en gezamenlijke activiteiten zoals communies, toneelspel, sport en dans. Je raakt gewend aan de zwart-wit foto’s en af en toe zit er dan opeens een kleurenfoto tussen. Daarmee wordt je toch op een andere manier geraakt omdat er opeens letterlijk kleur in het leven komt. Als je de lijsten bekijkt waarop alle kinderen met geboortedatum en geboorteplaats staan, wordt duidelijk hoeveel de families rondreisde voor ze naar Nederland kwamen. Daarna hebben velen één of meerdere kinderen in Lunetten gekregen voordat de baby’s in Lage Mierde geboren werden.

Poster in museum de bewogen jaren met daarop foto's van de Molukse bewoners uit kamp Lage Mierde
Enkele foto’s met allerlei activiteiten.

De postermappen zijn moeilijk te fotograferen, maar geven wel een heel gevarieerd beeld van een klein kampje. Het leuke van dit museum is dat je eigenlijk gewoon iemands passie zit te bekijken. Het is ontstaan uit een fascinatie voor de tweede wereldoorlog in de lokale context en werd door de Indië-gangers uit de buurt verlegd naar het wereldtoneel. Toen de verre wereld in Lage Mierde kwam wonen kreeg ook dat de interesse. Het is misschien niet het meest gestructureerde museum, maar als je een interesse in de periode 1939-1950 hebt, is het zeker de moeite waard. Door de verzameldwang zijn er namelijk bijzondere objecten te zien. Ook zijn er leuke opstellingen gemaakt waarbij met levensgrote poppen situaties zijn verbeeld. Voor degene die komen voor het Molukse verhaal kan het misschien minimaal zijn. Maar als je meer onderzoek wil doen naar Lage Mierde is het de moeite waard om alle families te zien.

Baarschot, een mooie verassing.

Soms stel je je niets speciaals voor bij een bezoek aan een kamp zo als afgelopen zaterdag. We besloten twee kampjes in de buurt van Tilburg te doen omdat we dat makkelijk op één dag zouden redden. Het waren immers twee kleine kampen waar weinig over te vinden was. De dag zou echter anders verlopen, het werd een drukke dag met mooie ontdekkingen. We kwamen s’morgens aan in Baarschot aan de Spreeuwelsedijk. We parkeerden en liepen even rond om na te gaan of we op de juiste plek waren. Aan het begin van het terrein van wat nu Eigentijdserf heet, staat een klein wit huisje. We wilde even vragen of we rond mochten lopen, maar een hard blaffende hond deed ons naar het hoofdgebouw uitwijken. Al lopend zagen we rechts al een groen schuurachtig gebouw tussen de struiken. Het zal toch niet waar zijn? Bij het hoofdgebouw aangekomen was er niemand behalve een bordje met een telefoonnummer dat we konden bellen. We belden en werden weer terug geleid naar het kleine huisje. De hond kwam ons al blaffend tegemoet, maar bleek niet te bijten. We werden hartelijk begroet door de ‘beheerder’ Wim van Bijsterveld die na het horen van de reden van ons bezoek zei: Nou jullie kunnen wel in de barak kijken die nog over is uit het kamp. Hij moest even de sleutel halen en wij moesten even diep ademhalen. Ons vermoeden was dus juist geweest die groene schuur was nog een originele barak .

Oude barak uit het woonoord Baarschot van groen hout met witte kozijnen nu nog aanwezig.
Oude Barak uit het woonoord nog aanwezig in Baarschot.

De barak wordt nu als schuur en werkplaats gebruikt, maar was vroeger de kantine en kerk. De barak heeft dan ook een grote open ruimte en wat kleiner zijkamertjes. De houten balken die het dak ondersteunen zijn nog in prima staat, alsof ze er gister neergezet zijn. De balken staan op kleine betonnen pilaartjes. De vloer is van hout met daarop blauwgrijze plavuizen. Om de pilaren zijn witte siertegels gelegd die een vierkant vormen. De vloer ligt vol met spullen en zaagsel, maar het is nog duidelijk te zien dat het een elegante indruk moet hebben gemaakt. De originele deuren staan in een stapel opgesteld.

De binnenkant van de barak in Baarschot met de open ruimte. Links staan de originele deuren. Rechtsachter is nog een deuropening te zien naar een klein kamertje en een oude wc.
De binnenkant van de barak met de open ruimte. Links staan de originele deuren. Rechtsachter is nog een deuropening te zien naar een klein kamertje en een oude wc. Binnen is het droog, maar vol met spullen.

Wim wijst ons nog op een ander origineel detail, de hoofdstroomschakelaar. Deze zit onder de stoppenkast die wel vernieuwd is. De barak stamt uit 1932 toen het kamp als DUW-kamp werd gebouwd. De barak is dus bijna 90 jaar oud. Van binnen is wel van alles veranderd. De deur vanuit de hal naar de grote ruimte is eruit gezaagd zodat er grotere dingen naar binnen konden worden gebracht. In het halletje is ook een plaat uit het plafond verwijderd, waarschijnlijk om de bedrading te bekijken en de staat van het dak te controleren. Aan de linkerkant achter in de zaal zijn moderne toilets geplaatst en er is centrale verwarming. Maar de algehele indruk is toch dat de barak nog een heel goede indruk geeft van hoe het was. Je moet alleen even alle spullen wegdenken.

De originele hoofdschakelaar voor de stroom in de barak in woonoord Baarschot
De originele hoofdschakelaar voor de stroom

De buitenkant laat echter zien dat de barak wel op zijn laatste loodjes loopt. Hoe goed het er van binnen uitziet, hoe erg de gaten in de buitenkant zijn. Het hout is op vele plekken aangetast en je kunt door de gaten de binnenwand zien. Het geeft voor de archeoloog natuurlijk een mooi kijkje in de constructie. Maar toch had ik dat liever niet gezien. De ruimte tussen de binnen- en buitenwand is maar enkele centimeters en het staketsel waarop de wandplanken zijn aangebracht bestaat uit dikke planken in plaats van balken. Er is helemaal geen vorm van isolatie te bekennen, maar dat was ook niet verwacht.

De achterkant van de barak in woonoord Baarschot. Boven de kozijnen zijn de gaten in het hout duidelijk te zien, maar ook op ander plekken kun je tussen de planken gaten zien.
De achterkant van de barak. Boven de kozijnen zijn de gaten in het hout duidelijk te zien, maar ook op ander plekken kun je tussen de planken gaten zien.

De kozijnen zijn echter nog in redelijke staat. De meeste raampjes zijn nog intact ook al hebben sommige wat barsten. Al met al een bijzondere vondst. Wim nodigt ons uit voor een kopje thee in de tuin van zijn woning. Deze woning stamt ook nog uit het kamp en was vroeger het badhok en de schuur. Aan de zijkant is zelfs nog een ring om een paard vast te zetten. Van binnen is het echter helemaal verbouwd en sommige deuren en ramen aan de buitenkant zijn veranderd. De zeer grote schoorsteen voor zo’n klein huisje laat zien dat het een andere functie dan woonhuis heeft gehad.

Het voormalige badhuis en garage van het woonoord Baarschot gezien vanaf de weg.
Het voormalige badhuis en garage van het woonoord Baarschot gezien vanaf de weg.

Wim woont hier al 40 jaar en in het begin stonden er nog meer barakken op het terrein. Een grote barak voor de beheerder en het kantoor stond schuin achter het huis en links op de parkeerplaats stond nog een woonbarak parallel aan de weg. De Molukse bewoners waren echter al weg toen hij er kwam wonen. Af en toe komen er nog oud bewoners of hun kinderen langs om te kijken naar hun oude woonplek. Ten tijde van het woonoord was hier het einde van de verharde weg, verder naar het zuiden werd het zandpad. Het kamp heet dan ook Baarschot omdat het alleen door het dorp te bereiken was, terwijl het kamp eigenlijk in Westelbeers ligt. De weg is pas in 1963 helemaal verhard. Toen de barak uit het nabijgelegen Lage Mierde werd overgeplaatst naar het open luchtmuseum in Arnhem, werd de grote barak in Baarschot ook ingemeten zodat men de inrichting in de juiste maten kon maken. Voordat we er erg in hadden waren we een paar uur verder. Wim raadde ons aan in Hoge Mierde ook even langs het museum te gaan van de eigenaar van cafe de Bijenkorf voordat we naar het woonoord Lage Mierde zouden rijden. Maar daar over later meer.

Boekbespreking Ombak Maluku (Molukse golven).

In april werd het boek ‘Ombak Maluku: Molukkers ongewild naar Nederland’ geschreven door Jim Worung en Nanneke Wigard uitgegeven. Het is een goed vormgegeven boek vol foto’s en documenten. Het matte papier zorgt voor een mooie afwerking en geeft diepte aan de foto’s. De eerste indruk van het boek is dan ook goed. Het boek is ingedeeld in drie grote hoofdstukken: Gebeurtenissen voor vertrek, De Reis, en De Aankomst.

boekomslag Ombak Maluku

Het eerste hoofdstuk over de tijd vlak voor het vertrek geeft erg veel informatie, maar dat wil niet zeggen dat alles duidelijk wordt. Dit komt niet doordat ze rommelig schrijven, maar omdat de situatie zelf zo onoverzichtelijk is. Tegenstrijdige berichten via verschillende kanalen, een grote tijdsdruk en constant veranderende omstandigheden zorgen voor een complex geheel, waar niemand het gehele overzicht heeft. Het is wonderbaarlijk dat ze hier nog een samenhangende tekst van hebben kunnen maken. Wat mij vooral bij blijft uit dit eerste hoofdstuk is dat de gezinnen al zoveel hadden meegemaakt voor het vertrek. Door de oorlog verbroken gezinnen die net weer bijeen zijn, familieleden die overlijden, het vele rondtrekken van de militaire gezinnen waardoor ieder kind in een andere plaats is geboren, en daar bovenop het vrij plotselinge vertrek. Vaak had men maar enkele dagen de tijd om zich voor te bereiden op het vertrek en had men geen idee wat men mee moest nemen omdat het maar voor enkele maanden in een ver vreemd land zou zijn.

In het hoofdstuk De Reis wordt de overtocht besproken. Elke boot wordt beschreven. Een deel van de tekst is gebaseerd op de beschrijving van de Nederlandse leiding. Het is duidelijk vanuit een militair perspectief waarbij de vrouwen en kinderen zich moeten schikken naar de militaire orde en er weinig compassie is. Het is duidelijk dat die militairen geen ervaring hebben met burgers en hoe met hen om te gaan. Het maakt enorm veel uit op welke boot je toevallig terecht komt in hoe de reis ervaren wordt. Het varieert van vijf-hoge slaapplekken in broeierige ruimen tot goede hutten. Mannen werden meestal gescheiden van hun vrouwen en kinderen wat voor gezinnen natuurlijk raar is. En het varieerde van wassen met zout water tot genoeg zoet water voor iedereen. Op sommige boten is bijna iedereen zeeziek, terwijl andere boten hier bijna geen last van hebben; wat de kwaliteit van de reis sterk vergroot. Sommige boten zijn rustig of gezellig terwijl er op andere veel onrust en ruzie is. Overal zijn verstekelingen die in het boek uitgebreid besproken worden. De verhalen van de toenmalige kinderen die de reis maakten geven het geheel kleur. Wat ik het meest opvallend vind, is dat er geen duidelijk beleid lijkt te zijn over wie van de kinderen mee mogen. Sommige laten gedwongen enkele van hun vier kinderen achter terwijl anderen met acht kinderen aan boord gaan. Het lijken onmogelijke keuzes die natuurlijk verward worden door de gedachten dat het om een tijdelijk afscheid gaat. Het kwam wel vaker voor dat kinderen enige tijd op andere plekken of bij familie onderdak vonden voor scholing en dergelijke. Men kon de permanente scheiding niet voorzien.

Een grappig detail is dat een bediende op de Kota Inten (tweede reis) wegens brutaliteit van de Willem Ruys was verwijderd. Dit is het schip waarmee mijn ouders enkele jaren later naar Nieuw-Zeeland zouden emigreren, om tien jaar later weer terug te keren naar Nederland.

Het laatste hoofdstuk gaat over de aankomst in Nederland. Per boot wordt verteld hoe en wanneer er ontscheept wordt. Het is duidelijk dat het daadwerkelijke ontslag uit dienst moeilijk of niet geaccepteerd wordt. De eerste indrukken die opgeschreven zijn van vooral de kinderen laten zien dat men totaal niet voorbereid was op het daadwerkelijke Nederland. De sneeuw die er was bij de vroege aankomsten was natuurlijk bijzonder, maar de kale bomen lieten een diepe indruk na. Dat moet ook een onbegrijpelijk uitzicht zijn geweest voor iemand uit de tropen. De ontvangst was zakelijk en de omstandigheden in de kampen was meteen ondermaats. Na zo’n zware reis zal slapen op een strozak wel heel erg tegenvallen en dan hebben we het nog niet over de gedeelde wc’s en het gebrek aan makkelijk toegankelijk warm water. Maar ook hier verschilt het heel erg in welk woonoord je terecht kwam. In het boek is ook aandacht voor de Molukkers die op andere tijdstippen kwamen of die niet bij de KNIL hadden gezeten. Dit is een onderdeel dat helemaal nog onderbelicht is in de geschiedschrijving.

Het is een boek waar de auteurs trots op kunnen zijn. Zij weten veel informatie over de overgangsperiode op overzichtelijke wijze te plaatsen. Soms is de tekst wat telegramstijl, maar dat komt door de militaire bronnen die gebruikt zijn. Voor iedereen die meer wil weten over hoe de Molukkers in Nederland kwamen is dit boek zeker een aanrader. Ik heb het in ieder geval met veel interesse gelezen en genoten van de mooie foto’s die, ook al zijn ze zwartwit, het verhaal kleur geven.

Oostburg, De Wilgenhof, een driehoek met nissenhutten.

De Wilgenhof is een driehoekig kamp in de splitsing tussen twee wegen, de Nieuwstraat en de Grotendam in Oostburg. Toen ik er was stond het gras tot ver boven de knieën. De originele hekpalen uit de tijd van het kamp stonden er nog. Het hek had wel een slot, maar was open. Ik zag niemand en vond het niet gepast om zomaar iemands terrein te betreden. Door het hoge gras had ik ook weinig kunnen zien.

De vorm van het kamp is nog duidelijk te zien in de begroeiïng op de grenzen van het perceel. Er was verder weinig te zien, en het lijkt er op dat alle beton en bestrating verwijderd is. Er was geen verstoring in de begroeiïng te zien die vaak wijst op achtergebleven structuren. Het kamp werd nadat de laatste Molukse bewoners waren vertrokken compleet afgebroken omdat de kosten voor renovatie te hoog waren.

In het boek Molukkers in Zeeland staat uitgebreid omschreven hoe het kamp ingedeeld was. Aan de wegzijde was een houten barak op steenfundering die diende als kerk en kantine en een stenen barak met de beheerderswoning, kantoor, magazijn, de keuken, en een kamer voor de aflosbeheerder. Tussen deze barakken was de toegang tot het kamp. De andere twee zijde van het kamp vormde een driehoek door middel van in totaal 20 nissenhutten. 1 nissenhut deed dienst als stookgebouw en badhuis. De eerste bewoners kwamen van de boot Castelbianco die op 24 april in Rotterdam aankwam. In het eerste jaar woonde er rond de zestig mensen. In 1957 was dit uitgegroeid tot bijna 140 mensen. Zoals onderstaande afbeelding laat zien was het een netjes kamp met bestrating en hegjes (bron MHM, FF10951) Er was ook elektriciteit en stromend water.

De bewoners van het kamp hielpen in februari 1953 bij de watersnoodramp. Maar zij gaven meer dan alleen maar mankracht. Een collecte in het kamp haalde ook nog eens 104 gulden op. Als je bedenkt dat men 3 gulden per week kreeg, is dit veel geld. In 1954 reed koningin Juliana langs het kamp op een tocht die herdacht dat haar moeder koningin Wilhelmina in 1945 via Zeeland weer op Nederlandse bodem was gekomen. Juliana werd bij het kamp uitbundig toegezwaaid.

Het lijkt erop dat ook al woonde men in het moeilijk bereikbare Zeeuws-Vlaanderen men niet het contact met de rest van Nederland verloor. In 1954 als in kamp Lunetten gestaakt wordt tegen de zelfvoorzieningsregeling, stuurt de kampraad (samen met andere kampen in Zeeland) een bericht van steun aan de stakers.
In 1958 wordt er gesproken over het opheffen van de kampen in Zeeuws Vlaanderen omdat de bewoners geen werk kunnen vinden. De staat moet hierdoor geld bijleggen en de kampen worden als onrendabel bestempeld. De bewoners hebben het echter naar hun zin en hebben geen haast met vertrekken. Uiteindelijk zal het laatste gezin pas begin 1963 het kamp verlaten. Dit betekend voor de gemeente met woonoorden een teruggang in hun aantal inwoners, want sinds 1958 waren zij bij de gemeente ingeschreven. Vooral voor de kleine gemeentes zoals Oostburg was dit een verlies. Maar met de reünie in 2019 waren er voor even weer vele Molukkers in Oostburg.

Woerden de Kazerne, een gokpaleis?

Het is al weer bijna drie jaar geleden dat Jobbe en ik naar woonoord de Kazerne in Woerden gingen. Deze ligt in het centrum van Woerden en is nu onderdeel van een gezellig winkelgebied. We moesten de workshop in Denemarken voorbereiden en wat is er dan makkelijker dan een café in een woonoord in het midden van het land. Het gebouw staat er nog en is een rijksmonument. Er is verder geen uitleg waarom het een rijksmonument is. Op 19 juni zal de stichting Sinar Maluku een plaquette onthullen bij de kazerne en een boek uitbrengen. Ik kijk uit naar het boek. Binnen is de kazerne helemaal gerenoveerd en veranderd. De barman zei dat er nog regelmatig Molukse oud-bewoners langskomen om hun oude woonplek te bezoeken. De Kazerne is één van de drie kleine woonoorden in Woerden.

De kazerne was eerst in gebruik voor gerepatrieerde Nederlanders, die werden elders ondergebracht. Met ingang van april 1951 woonde er in de Kazerne 21 Molukse gezinnen. Bij aankomst lag er voor hun een welkomstbrief in het Maleis en een bloemetje van de stichting Door de Eeuwen Trouw. Elk gezin kreeg een woon- en slaapkamer, in totaal 36 m2, afgescheiden door een triplex wandje. Verder was er een potkachel,een tafel, vier stoelen, stapelbedden en een kast. De keuken, wasgelegenheid en kantine waren gemeenschappelijk (website vijf eeuwen migratie, bron p159). Het schooltje in de kazerne word in februari 1952 overgenomen door de vereniging voor Christelijk onderwijs. Daardoor kwam de school in een Nederlands onderwijssysteem terwijl het daarvoor onder het ministerie van Uniezaken en Overzeese Gebiedsdelen viel. De kampraad had hier mee ingestemd. Blijkbaar zag men het in het Nederlandse onderwijs geen hindernis voor de terugkeer naar de Molukken.

Het hijsen van de RMS-vlag in de kazerne. Het vlagincident vond hier echter niet plaats ook al wordt deze foto (MHM F90_0797) daar vaak bij gebruikt.

Op 14 mei 1962 las een karakteristieke kop in de Telegraaf “Poltieoverval op Ambonezenspeelhol”. Om half een s’nachts vielen 4 politieagenten met aan het hoofd de korpschef het lokaal binnen waar 16 mannen het spel Main Dadu speelden. Op de bank trof de politie 40 gulden aan. Dit bedrag doet nu toch wel heel lachwekkend aan als we spreken van een speelhol, maar soms ging het om veel meer geld. Het lijkt erop dat de vrouwen van de mannen naar de politie waren gestapt omdat zij al een tijd geen geld kregen van hun mannen die het vergokten. Dat is natuurlijk een serieuzere zaak als gezinnen te lijden krijgen onder het gokgedrag van de vaders. De spelers kwamen uit alledrie de Woerdense kampen plus Vossenbosch en Lunetten. De krant vermeld uitgebreid hoe het spel gespeeld wordt. Er is een zeildoek van 3 bij 1 meter waarop figuren en 6 bijbehorende getallen staan. Op een tolletje staan dezelfde 6 getallen. De tol wordt aan het draaien gebracht en wordt afgedekt met een metalen hoedje. De deelnemers zetten geld in op een figuur op het doek. Als de tol stil ligt wordt het hoedje er af gehaald en heeft het cijfer dat bovenaan de tol staat gewonnen. De inzet wordt voor de winnaar in 2, 4 of 6-voud uitgekeerd en de rest gaat naar de bank. Het spel kan wel een dag en een nacht duren. De mannen worden de hele nacht ondervraagd, maar wat er verder gebeurd met hen wordt niet verteld.

Verder lijkt er weinig opzienbarends in het woonoord te gebeuren. In ieder geval geen dingen die het nieuws halen. In december 1967 werd het kamp opgeheven.

Uitzicht uit één van de ramen van de Kazerne. Behalve de tafeltjes zal het uitzicht niet veel veranderd zijn. De foto met de vlag is genomen bij de stenen column, zichtbaar in het raampje linksonder.

Rodanborg in Zeeuws-Vlaanderen

Kamp Rodanborg in Aardenburg is een van de weinige woonoorden waar archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. In 1982 en 1991 zijn hier opgravingen uitgevoerd door vrijwilligers onder leiding van de toenmalig provinciaal archeoloog Robert van Heeringen. Jammer genoeg had men geen oog voor de recente bewoningssporen en groef men meteen door naar de sporen uit de Middeleeuwen en de Romeinse tijd. Men was zich ervan bewust dat de opgravingen plaatsvonden op de locatie van het kamp, maar het historisch en archeologisch belang hiervan werd niet onderkend. Hier speelt natuurlijk ook mee dat in Aardenburg alle aandacht gaat naar het Romeinse verleden dat in deze plaats veel sporen heeft nagelaten. Nog steeds is het een probleem binnen de archeologie dat de sporen uit het recente verleden weinig tot geen aandacht krijgen in Nederland. Hierdoor is er een grote kans dat het erfgoed dat samenhangt met de Molukse woonoorden steeds meer verdwijnt.

Woonoord Rodanborg in het blauwe vierkant op de topografische kaart van 1960.

Kamp Rodanborg werd al vroeg in gebruik genomen. Volgens het boek Molukkers in Zeeland kwamen in april 1951 hier de eerste gezinnen die met de boot New Australia naar Nederland waren gekomen. In de lokale krant wordt echter vermeld dat de eerste 6 gezinnen op 8 mei aankomen en verwelkomd worden door de burgemeester. Wat heel sprekend is, is dat op diezelfde dag ook de laatste militair van Aardenburg uit Indonesië terugkeert naar het ouderlijk huis en eveneens hartelijk welkom wordt geheten. Allebei militairen uit het Nederlandse leger waarbij de een thuiskomt en de ander nooit meer zal terug naar huis keren.

Het woonoord bestaat uit houten barakken die in een U-vorm rond het binnenterrein liggen. Het kamp was eerder als werkkamp gebruikt. Daarna zijn er gerepatrieerde Nederlanders gehuisvest. Amper twee weken na de ingebruikneming van het kamp door de Molukse bewoners is er al een contactavond met muziek en een filmvertoning. Ondanks de goede banden met de lokale bevolking is er wel een duidelijk administratief verschil. Terwijl de gerepatrieerde mensen ingeschreven waren in het bevolkingsregister geld dit niet voor de Molukse bewoners. Bij de bevolkingstelling van 1952 is het aantal inwoners van Aardenburg dan ook terug gelopen omdat de dan 140 bewoners van kamp Rodanborg niet meegeteld worden. De aparte status van de Molukkers vanwege hun zogenaamd tijdelijk verblijf wordt zo bestuurlijk zichtbaar. In de zomer van 1953 vindt er in het kamp een tentoonstelling plaats van de textiele handwerken die de vrouwen hebben gemaakt op een cursus gegeven door lokale dames. Er worden bloemen opgespeld om de vriendschap te symboliseren. Nona Salakory die als kind in 1955 in Rodanborg kwam wonen spreekt ook vol warmte over dat zij hier op de kleuterschool zat en bij de oma van een vriendinnetje op bezoek ging. Jaren later heeft ze de kleuterjuf nog bezocht. Haar vader zorgde er echter voor dat het gezin vrij snel weer kon vertrekken naar het grotere Vossenbosch. In november 1959 wordt het woonoord opgeheven omdat er in de omgeving te weinig werk is voor de Molukse mannen.

Kamp Rodanborg zoals het er in 2019 bij ligt.

Nu ligt er op de plek van het kamp een luxe woonwijk met ruime tuinen. Van de oorspronkelijke vorm van het kamp is niets meer terug te vinden. De weg is kronkelend aangelegd terwijl het kamp een rechthoekige structuur had. Toen ik er bijna twee jaar geleden was, stond er nog wel een rijtje bomen die waarschijnlijk uit de tijd van het kamp kwamen. Nu is echter op Google satelliet foto te zien dat deze bomen ondertussen gesneuveld zijn. Er is nu niks op deze plek dat aan het woonoord herinnerd. Misschien tijd voor het lokale museum om hier eens aandacht aan te schenken.

Een nieuwe tv-serie over de Molukkers in Nederland

Het kan je niet ontgaan dat 70 jaar Molukkers in Nederland aankwamen, zelfs niet als je daar niks van weet. Na het vol geprogrammeerde weekend van 21 maart waar de aankomst van de eerste boot herdacht werd, is de aandacht nog niet verstild. Na de aandacht van vele burgemeesters op lokaal en nationaal niveau door onder andere het ondertekenen van de brief voor meer erkenning van de Molukse medeburgers is er nu een tv-serie op nationaal niveau op prime-time. Vier woensdagen lang is tussen half 9 en half 10 s’avonds de serie te zien met de titel Molukkers in Nederland – 70 jaar op weg naar huis.

De serie is gemaakt door Coen Verbraak voor BNNVARA. Verbraak is zelf niet in beeld te zien. We horen hem vragen stellen maar de camera is gericht op de Molukse deelnemers die hun verhaal vertellen. De deelnemers zijn: Ron Habiboe, Pieter Anthony, Frieda Tomasoa, Ben Manusama, Non Aponno, Frans Palyama, Sam Pormes, Frits Sahertian, Johnny Manuhutu, Dinah Marijanan, Noes Solisa, Emerson Terinathe, en Simon Tahamata. In de eerste aflevering vertellen zij allen hun eigen verhaal of familiegeschiedenis over de aankomst in Nederland en het wonen in de woonoorden.
Het is duidelijk dat dit na 70 jaar zeker geen oude geschiedenis is en de emoties nog diep gevoeld worden. Er komt een beeld naar voren van een harde ontvangst die niet meer goedgemaakt wordt. Het gevoel van gevangen te zijn in een situatie waar je geen controle over hebt en tegelijkertijd ook echt gevangen te zitten in woonoorden met slagbomen en prikkeldraad.

Screenshot uit de tv-serie van een wooneenheid in een barak.

Het trauma van de oud-KNILsoldaten in combinatie met slechte omstandigheden zorgt ervoor dat de kinderen streng en met fysiek geweld opgroeiden. Bij de een wat erger dan de ander, maar het is duidelijk dat als men er niet zelf onder leed men er wel getuige van was als het bij andere kinderen gebeurde. Daarnaast was er veel ziekte en een van de deelnemers vertelde dat al zijn zussen longaandoeningen hadden, waarschijnlijk opgelopen in de kampen met asbest in de behuizing. Die behuizing was ronduit erbarmelijk te noemen. En alhoewel ik natuurlijk al vele foto’s had gezien van de woonoorden en de verhalen had gelezen, vond ik de bewegende en ingekleurde beelden in deze serie van de binnenkanten van de barakken toch erg confronterend. Je ziet de vervallen staat van de muren en plafonds. Het sanitair is van een zeer slechte kwaliteit en ik snap wel dat men daar overdag al niet graag naar toeging, maar helemaal niet in het donker.
Ook de wat neutralere beelden van de aankomst en het transport naar de woonoorden die ingekleurd zijn geven een nieuwe dimensie aan het geheel. Het komt toch meer tot leven.

Ingekleurd beeld uit de tv-serie van de bustocht naar de woonoorden.

Wat de serie ook laat zien is dat de Nederlandse overheid niet echt zat te wachten op al die Molukkers en ook weinig aandacht aan hun welzijn besteedde. Het meest schrijnende is natuurlijk de opmerking van de burgemeester van Westkapelle die vindt dat de bewoners zich aanstellen nadat er op hun geschoten is. Hij bagatelliseert het politiegeweld en doet alsof er niet zoveel is gebeurd, terwijl er 9 gewonden zijn gevallen, waarvan één man permanent aan een oog blind is geworden. Het grote verdriet is vooral dat de KNIL-militairen trouw waren aan Nederland en het koningshuis, maar dat het bleek dat die trouw niet wederzijds was. Het was geen ontvangst van gelijkwaardigen het was een aankomst vol desillusies.

Ik denk dat de serie voor veel Nederlanders als een schok zal komen. Ik hoop wel dat men blijft kijken. Want ook al is het soms niet makkelijk om te zien. Het is wel iets waarvan we kennis moeten nemen om de situatie nu te begrijpen.

Breskens, De Haven: een driehoek in het land.

Het woonoord de Haven in Breskens ligt niet aan het water, als je de sloot niet meetelt. Het ligt 500 meter ten zuiden van de echte haven tussen de weilanden en een industrieterrein. Je nadert het kamp over het smalle Golepolderdijkje met aan beide kanten bomen. Het geeft het een landelijke uitstraling. Via Google streetview zie je het kamp nog liggen. Het is echter verdwenen want in de realiteit is het een klein woonwijkje geworden met de naam Landgoed de Lente. Gelukkig was ik er met mooi weer zodat het ook lente-achtig aanvoelde.

Woonoord De Haven op Google Streetview (12 mei 2021).

De Haven is een driehoekig kamp met nissenhutten. Parallel aan het dijkje lagen twee stenen barakken, die als kerk/kantine en beheerderswoning dienden. De schuine zijde werden gevormde door aan weerszijde twee blokken met elk vijf nissenhutten. In het puntje lag nog een losse nissenhut. Het woonoord werd in januari 1952 in gebruik genomen. In maart kwamen daar enkele families uit Grijpskerke bij dat opgeheven werd. Er werden cursussen aangeboden aan de mannen en de vrouwen. Vanaf het begin waren er taalcursussen voor analfabeten. Eind 1956 slaagde tien vrouwen voor de kookcursus, ondanks dat ze niet leerde wat ze het liefste wilden taarten bakken en lekkernijen maken. Het was vooral gericht op gezond eten, maar dan natuurlijk wel naar Nederlandse maatstaven van die tijd. Voor de mannen is er een opleiding om in de metaalsector te gaan werken in Oostburg. Volgens de ene krant (De Stem) is de cursus ook bedoeld om de mannen een Europees werktempo en orde en netheid aan te leren, terwijl de Provinciale Zeeuwsche Courant er juist op wijst dat het gaat om oud-militairen die ondanks hun leeftijd (rond de dertig jaar) de schoolbankjes weer opzoeken. Dit laat wederom zien hoe belerend sommige Nederlanders met de Molukse mensen omging. Voor de een zijn het oud-militairen die respect verdienen voor de ander zijn het luie inlanders. De mannen doen ook vaak schoonmaakwerk in de haven van Breskens in ruil voor vis.

Kamp De Haven nadat het al enige tijd in ongebruik was vervallen, MHM FF10498.

De schoolgaande jongeren waren lid van de Pelajar Pelajar Maluku Zeeland. Een vereniging voor jongeren uit verschillende kampen in Zeeland. Breskens heeft een pontje naar Vlissingen dus de afstand met de overkant was niet groot. 25 april 1952 werd er een feest gegeven ter ere van de tweede verjaardag van de proclamatie van een onafhankelijk Molukken. De band Suara Maluku en een kinderkoor traden op en er was een toneelstuk in vier akten dat de proclamatie verbeelden. Het zal een groot succes zijn geweest want een jaar later is er een zelfde feestavond met muziek en toneel.

In 1957 heerst er een ernstige Aziatische griep in Nederland die ook de woonoorden niet overslaat. In Breskens worden enkele mensen ziek, iedereen herstelt gelukkig snel. Zo zie je maar weer dat de situatie waarin we ons bevinden niet zo uniek is. Ook al waren de maatregelen toen minder streng, wereldwijd stierven er toch ruim een miljoen mensen. In 1958 begint men met het afbouwen van de woonoorden in Zeeuws-Vlaanderen en vele gezinnen verhuizen. Er is te weinig werk in het gebied. De Haven blijft echter buiten schot en er wonen op dat moment nog 101 mensen, een deel blijven daar nog tot eind 1964 wonen. Na het vertrek van de Molukse bewoners krijgt het kamp een recreatieve functie.

De Haven, nu een klein woonerfje.

Als je nu bij het woonoord De Haven komt is er niets van de oude nissenhutten terug te vinden en ook de toegang is volledig vernieuwd. Het heet nu Landgoed de Lente. Er zijn echte nog wel wat andere overblijfselen te vinden. De vorm van het wijkje volgt de oude driehoekige vorm. De perceelgrenzen zijn niet veranderd. Alleen het binnenterrein is nu volgebouwd met huisjes. De bomen aan de achterkant van het wijkje zijn blijven staan, waardoor de grens van het kamp visueel hetzelfde is. Het is nog steeds een eigen buurtje los van de bebouwde kom. Hoewel alles veranderd blijven sommigen dingen hetzelfde.

Kamp Conrad: een weiland en een monument.

Als je vanuit kamp Beugelen over de lange weg door Staphorst rijdt zie je aan beide kanten oude boerderijen liggen. Strak geschilderd, vaak nog met een klompenhok en melkbussen. Die laatste zijn voor de sier, want melkbussen worden als sinds het begin van de eeuw niet meer gebruikt. Tekenend is wel dat Staphorst en Rouveen tot het laatst de melkbus hebben gebruikt en er is in Rouveen zelfs een melkbussen monument. Aangezien ik allergisch ben voor melk en de geur al tot reacties lijdt hebben we dit toeristische punt maar overgeslagen. Als de weg een bocht maakt richting het dorp Rouveen is aan de rechterhand de Conradsweg met daar het kamp Conrad. Deze naam kan ik makkelijk onthouden want mijn broer heet ook Conrad.

Het monument bij Kamp Conrad. De barakken stonden in het weiland achter de bomen.

In Rouveen is niet alleen een monument voor de Melkbus er is ook een monument voor het aldaar gelegen woonoord. Dit is het grootste monument voor een Moluks woonoord dat ik tot nu gezien heb. Het kleine bordje langs de weg met de tekst “hier was kamp Conrad” valt erbij in het niet. Het monument ligt aan een doodlopend weggetje aan de overkant van het kanaal. En ook al ligt het naast een soort van depot voor bouwmateriaal, de plek zelf straalt een bepaalde rust uit. Er staat een informatiebordje en een bankje zodat je even kunt gaan zitten en de plek tot je kunt nemen. Op het informatiebord staat de geschiedenis van de kampen in de gemeente Staphorst. In 1928 is kamp Conrad gebouwd als arbeiderskamp. In de Tweede Wereldoorlog zaten er enige tijd Joodse mensen en na de oorlog heeft er een landbouwschool gezeten. Het monument is een initiatief van de Stichting Herinnering Kamp Conrad 1954-1966, die ook een website hebben ter herinnering aan het kamp. Van het kamp zelf is niets meer over, daar ligt nu een weiland.

Plattegrond van het kamp van de website Kamp Conrad. Op de website staan de familienamen die bij de barakken horen. E: kantoor, F: woning van de beheerder, G: Centrale keuken, H: kerk, I: kantine.

In mei 1954 kwamen er 23 Molukse gezinnen naar kamp Conrad. De mensen waren verdeeld over 4 barakken en hoopte na twee jaar in andere kampen een wat vastere plek om te wonen te krijgen. De mensen zouden er ruim tien jaar wonen.

In april 1955 was er een contactavond met de gereformeerde vrouwen vereniging Vollenhove-Cadoelen. Er werden liederen gezongen in het Maleis en het Nederlands. Taal was nog een probleem voor communicatie daarom zong men graag op dit soort avonden (ieder in de eigen taal). Ook werden er kledingpakketten uitgedeeld. Opmerkelijk is dat het gaat om de vrouwenvereniging uit Vollenhove dat bijna 20 kilometer naar het westen ligt. Je zou denken dat men toch dichterbij ook zulke verenigingen moet hebben gehad. Als in 1956 de zelfzorg regeling wordt ingesteld, wordt er niet geprotesteerd door de Molukker van de Crams en Kei-eilanden, waaronder die in kamp Conrad. De vrouwen zijn zelfs blij met de keuken ook al ziet men in dat door dit de teruggang naar een vrij Molukken nog verder weg zal zijn. In December 1959 woedt er een felle brand waarbij het kantoor en de woning van de beheerder totaal verwoest worden. Er kan wat administratie en inboedel gered worden. Gelukkig blijven de overige woonbarakken ongedeerd en vallen er geen slachtoffers.

In de begin jaren zestig wordt begonnen met het nadenken over andere behuizing voor de mensen uit kamp Conrad. Het kamp voldoet niet meer aan de eisen. De bewoners gingen verspreid door Nederland in de Molukse wijken van Delfzijl, Nijverdal en Eerbeek wonen. Een deel van de bewoners wilde echter in Rouveen blijven ondanks het over het algemeen geringe contact met de lokale bevolking en dat gebeurde ook. In 1965 heeft men het in de gemeenteraad over de bouw van enkele woningen voor de Molukse dorpsgenoten. Na al die jaren zijn er nog steeds mensen die de Molukse bewoners liever zien gaan. Een SGP-raadslid noemt de Molukse mensen agressief en hij begrijpt niet waarom ze naar Nederland gehaald zijn. Dit laat zien hoe weinig sommige mensen weten van de omstandigheden waaronder de woonoorden zijn ontstaan, terwijl zij al 10 jaar in de nabijheid daar van leven. Dit toont nogmaals de gescheiden werelden aan. De burgemeester is meer op de hoogte en zegt dat deze mensen veel voor de koningin en het vaderland hebben gedaan en een goede behuizing verdienen.

In 1989 werd er met steun van de gemeente een reünie georganiseerd op mede-initiatief van Erwin Talahatu. De burgemeester (een andere dan in 1965) vond dat de Nederlanders nog een ereschuld aan de Molukse mensen had. Volgens hem waren de overgebleven Molukse bewoners in Staphorst goed geïntegreerd en dit bleek uit het delen van het gebouw van de kerk en dit zonder dat men de eigen cultuur geheel moest opgeven. Er kwamen ongeveer 500 mensen naar de reünie, die bestond uit een kerkdienst, ballonnen, sport, en een feest. In 2007 vindt er opnieuw een reünie plaats, ditmaal in Nijverdal waar een deel van de voormalige bewoners naar toe is verhuisd. En uit de organisatie hiervan volgt de oprichting van de Stichting Herinnering Kamp Conrad 1954-1966.

Detail van het monument bij kamp Conrad.

In 2011 wordt door deze stichting het monument gerealiseerd. Het monument is op een vaste steiger in het water gebouwd. De pyramide-vormige houten opbouw symboliseert een Moluks dorpshuis met het glas als de kleurrijke gemeenschap. Onder het afdak is een vierkante vijver met in het midden een grote steen die staat voor de kracht van de Molukkers. Om de steen liggen kleinere stenen die de eilanden symboliseren. Op de rand van de vijver zijn op elke hoek de namen van de families per barak te lezen. Jammer genoeg ontbreken er enkele bordjes. Op de rand staat te lezen: Hier leefden zij met Ambon in hun hart, fier in hun aard en onafhankelijkheid, als vreemdelingen onder autochtonen, twee werelden in afgezonderdheid. Het is een eigenzinnig monument dat opvalt. Jammer genoeg heeft het monument de laatste tijd last van vandalisme vertelt de lokale beheerder Danny Talahatu in de lokale media. Dit is verergerd door de Corona-crisis waardoor jongeren zich vervelen. Hij is nog mild over de vandalen, maar het raakt hem wel. Hij leidt het gedrag terug tot onwetendheid over het belang voor deze plek voor de Molukse bewoners. Dat is toch een trieste conclusie: dat er nog steeds niet genoeg kennis is bij de lokale witte bevolking die deze plek nu toch al ruim 65 jaar met de Molukse mensen deelt.