Barakken en woonoorden

Openluchtmuseum, familie-uitje, vlak voor sluiting: opa en oma wilden met de neefjes liever nog even naar de papiermolen, dus opsplitsen was nodig als ik toch nog even een bezoek wilde brengen aan de Molukse Barak. Deze barak staat daar sinds 2003 en ik heb hem één keer eerder bezocht. Daarvan kan ik me echter niet meer herinneren dan de pop van die dame aan de ‘blanke zijde’ van het gebouw. Ik schaam me een beetje…als ik toen meer voorkennis had gehad, had ik het dan beter begrepen?

Opvallend vond ik nu de tekst voor de ingang. De bewoordingen, waar ik me zelf nogal zorgen over maakte rondom de aanvraag van de monumentstatus van de Punt, staan hier gewoon vermeld: “De regering […] breekt die belofte. Dat leidt tot grote woede bij de tweede generatie. En die woede mondt uit in de gewelddadige treinkapingen en de schoolgijzeling in de jaren ’70.” Bam! En zo is het. Als het causale verband tussen die gebeurtenissen in 2003 al op een bordje kon, waarover maakte ik me dan zorgen vorige maand? Of zijn de tijden veranderd door het nu lopende, soms zeer ongenuanceerde, debat over immigratie en terrorisme?

Prachtig vond ik een filmpje van theatergroep Delta. De Molukse vader aan de eettafel, autoritair, hoofd van het gezin, maar ook gekrenkt en verstard door de verloren status en de verbroken belofte van de Nederlandse regering: de setting  was me nu wél in één seconde duidelijk. Het vermeende tijdelijke verblijf in Nederland wordt indringend verbeeld door de stapelbedden en de klaarstaande koffers in de museale opstelling daarnaast (zie foto).

20170717_163244

Dat de barak in 2005 de European Museum Award won, lijkt me zeer terecht. Musea worden vaak gezien als een product van het (koloniaal) imperialisme en liggen daarom vanuit de kritische wetenschap altijd sterk onder een ethisch vergrootglas. Als tegenreactie zijn musea op hun beurt nu vaak het braafste jongetje van de klas….maar daar is niks mis mee. Er is echter één probleem, waar het museum zelf weinig aan kan doen: de barak hoort hier niet. Zij is verplaatst vanuit het Brabantse Lage Mierde. De originele plek van het woonoord is nu de gemeentewerf. Vooruit, er staat sinds 2012 een klein monument, maar verder is er niets meer.

Afgezien van Vught, dat altijd bewoond is gebleven, is er van de oorspronkelijke woonoorden weinig meer over. De kampen Amersfoort en Westerbork, en overigens ook Vught, zijn nationaal monument. Niet omdat de Molukkers er zaten, maar vanwege de Tweede Wereldoorlog. Wel wordt op deze plekken aandacht besteed aan de Molukse kwestie. Maar hoe zit het met de andere woonoorden? Volgens het boek van Smeets en Steijlen waren er 90 in Nederland. Als archeoloog vertaal ik dat als 90 mogelijke vindplaatsen van archeologische sporen en 90 plaatsen van herinnering.

 

Woonoorden_002

Bron: ‘In Nederland gebleven’ pagina 86.

20170717_163113

Aanvraag verzonden!

Vooraf lijkt het zo gedaan: even goed nadenken over een aanvraag en persbericht en hup, klaar. Maar in de praktijk kwam er dit weekend al met al ineens heel veel bij elkaar in een grote inspanning met heel veel uurtjes werk. De tekst van de aanvraag werd minstens twee keer uitvoerig geredigeerd -zeg maar gerust herschreven- en net toen ik dacht ‘nu is het wel goed’ kwamen er vanuit de Reinwardt Academie nog een paar zeer relevante aanvullingen. Op zaterdag kwam ook het persbericht uit en begon de telefoon te rammelen. Maar het is gelukt! De media coverage was overweldigend. NRC, AD, NOS, Erfgoedstem en een groot deel van de RTV’s en regionale bladen hebben ruimte besteed aan de aanvraag!

Hartelijk dank aan iedereen die er tijd in heeft gestoken, ook achter de schermen! Deze weblog heeft nog de sfeer van een eenmansproject, maar mag het nu zeker niet meer heten. Ik ben ontzettend blij te kunnen melden dat de aanvraag is mede is ondertekend door de Stichting Moluks Historisch Museum, Dr. Riemer Knoop (Erfgoedlector  Reinwardt), historicus Dr. Martijn Eickhoff en contemporain archeoloog Dr. Marjolijn Kok. Samen bepleiten we behoud van de locatie De Punt als rijksmonument, omdat deze van groot belang is voor het doorgaande gesprek over de historische, actuele en toekomstige verhouding tussen Nederland en de erfgenamen van zijn koloniale verleden: erfgoed als platform.

Persbericht Monumentenaanvraag

Wil je steun betuigen of mede ondertekenen, laat dan hieronder een reactie achter!

_MG_6527
De bovenleidingspaal, 2015

Op zondag 11 juni dient het project Moluks Erfgoed een aanvraag in bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed om de sporen van de bestorming van de gekaapte trein bij de Punt de status van beschermd archeologisch rijksmonument te verlenen, gezien het belang van deze gebeurtenis voor de Nederlandse geschiedenis.

Contemporain archeoloog Jobbe Wijnen, initiatiefnemer van de aanvraag,  licht toe: “Dit weekend is het exact 40 jaar geleden dat mariniers de trein bestormden en zes Molukse kapers en twee passagiers het leven lieten. Door de heftige afloop is De Punt samen met de locatie van de  school in Bovensmilde een belangrijk symbool van de Molukse acties geworden. In de media is daar de afgelopen weken al vaker aandacht voor geweest, maar over de plek waar het gebeurde en wat daar nog van rest, hoor je weinig.”

De sporen bij de Punt zijn de afgelopen jaren door het project Moluks Erfgoed gedeeltelijk in kaart gebracht. Wijnen: “De kaping bij De Punt werd op 11 juni 1977 beëindigd met militair geweld. In feite is er vanuit archeologische perspectief sprake van een slagveld, met bijbehorende sporen. Zo liggen er schuttersputten van de mariniers op het terrein van de golfclub en op de plek van de trein staat een paal van de bovenleiding vol met kogelgaten. Deze paal is waarschijnlijk het meest iconische spoor van de beschieting van de trein, een object dat het hele verhaal van de kaping in zich draagt. Ik vroeg me af of dat soort resten beschermd zijn en kwam er achter dat dit niet zo is.” De paal van de bovenleiding is een uniek en onvervangbaar object. Tegelijk is ze kwetsbaar: “ProRail kan met één pennenstreek besluiten tot vervanging zonder dat er een haan naar kraait”, zegt Wijnen. “Zo is het met trein 747 zelf ook gegaan in de jaren 90. Daarom vind ik dat ik als archeoloog in actie moet komen.”

De gewelddadige Molukse acties liggen gelukkig achter ons. Inmiddels is de algemene opvatting dat – aan welke kant van het conflict je ook stond, of staat – de kapingen bovenal tragische gebeurtenissen zijn die van groot belang zijn voor de geschiedenis van Nederland. “De geschiedenis van de acties, is de geschiedenis van ons allemaal”, zegt Wijnen. De Erfgoedwet zegt dat sporen die een belangrijke symboolwaarde hebben, zoals de bovenleidingspaal, wettelijk beschermd kunnen worden als monument of als cultuurgoed. De aanvraag bij de rijksdienst beoogt dit te bereiken, maar vormt voor het project Moluks Erfgoed vooral een begin. “Er zijn meer sporen van de acties, ook op andere plaatsen. En ook de Molukse woonoorden staan als erfgoed nauwelijks op de kaart. Het wordt tijd dat hier meer aandacht voor komt.” De aanvraag voor de paal van de bovenleiding wordt zaterdagnacht ingediend bij de rijksdienst, precies op het moment dat 40 jaar eerder bij De Punt het geweld losbarstte.

Meer informatie: http://molukserfgoed.com.

Bijlage : de tekst van de aanvraag rijksmonument. [TEKST IS NOG ONDER REVISIE: volgt spoedig op deze website]

Een monumentale leeftijd

Vandaag is het precies veertig jaar geleden. Op het tijdstip dat ik dit typ zaten de passagiers van trein 747 bij de Punt, en de school in Bovensmilde, al drie uur in gijzeling en waren politie en defensie zich aan het installeren langs de snelweg, de spoorwegovergangen en de golfclub. De afloop die deze kaping  19 dagen later zou krijgen, behoeft geen toelichting. In de documentaire ‘Wij willen leven’ van Coen Verbraak. die gisteren werd uitgezonden op NPO1, gebruikten meerdere mensen het woord ‘oorlog’ voor die afloop. Locatie de Punt is in dat licht een slagveld.

De afgelopen maanden heb ik anderen en mezelf de vraag gesteld of de sporen van de Molukse Acties erfgoed zijn en hoe je ze dan als archeoloog zou moeten benaderen. De vragen die ik stelde waren informeel, maar nu het werkelijk veertig jaar geleden is, wordt het ook tijd die vraag eens te formaliseren. En dit te doen vóór het -zoals vaak gebeurt bij nog niet erkend erfgoed – te laat is, als (bijvoorbeeld) ProRail in een vlaag van functionalistisch denken de beschadigde paal vervangt voor een ‘betere’, zonder de vraag te stellen of hij waarde heeft voor de toekomst.

_mg_6550Is de paal van de bovenleiding met kogelgaten een Rijksmonument? Ik denk van wel. Niet als monument voor de heldendaden van, of bewijs van de misdaden van de ene of andere partij, maar wel als herinnering aan de onfortuinlijke gezamelijke geschiedenis van Molukkers en Nederlanders in ons land en te werken aan een betere gezamelijke toekomst . De paal met kogelgaten, die daar kwamen bij de beschieting van de trein bij de Punt, is een iconisch fysiek spoor van hoe het conflict rond de afwikkeling van het Nederlandse koloniale verleden uit de hand liep en aan beide zijden slachtoffers maakte. Dit is een betekenisvolle geschiedenis – ook voor het Nederland van nu -, en de sporen ervan vragen om respectvolle omgang en bescherming.

Aanvraag tot aanwijzing rijksmonument

Ik wil nu eerst de paal van de Punt dus inzetten als een voorbeeld voor al het mogelijke Moluks Erfgoed en een aanvraag doen tot aanwijzing rijksmonument. Het mooie van ons land is dat de procedure daarvoor eenvoudig te vinden is. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) hanteert -gemandateerd door de minister – aanwijzingsprogramma’s waarmee zij rijksmonumenten aan- of afvoert van de monumentenlijst. Op dit moment lopen er geen (relevante) aanwijzingsprogramma’s, maar er vindt wel een verkenning plaats van erfgoed jonger dan 1965, van militair- of herinneringserfgoed en archeologisch erfgoed! Op alle drie de verkenningen zouden we dus kunnen aansluiten en op zijn minst de vraag stellen. De betekenis van deze paal is enerzijds  symbolische cultureel, een waarde zoals die voorheen werd beschreven in de Wet op behoud van Cultuurbezit (inmiddels overgegaan in de Erfgoedwet). Maar er zijn ook wel aanleidingen om te spreken van onroerend erfgoed, of – maar dit is binnen de Nederlandse wet nog minder gebruikelijk – van een belangrijke contemporain archeologische vindplaats bestaande uit ondergrondse en bovengrondse elementen en sporen. Echter, zoals iemand me al mailde:  de symbolische betekenis ligt het meest voor de hand wat betreft deze paal, maar laten we niet vergeten dat er ook nog andere sporen zijn.

Buiten de aanwijzingsprogramma’s  mag een burger als natuurlijk persoon ook zelf een aanvraag doen. Daarbij kan de minister dan – bij hoge uitzondering weliswaar – nieuwe monumenten aanwijzen. Ook dat kunnen we proberen, maar zoiets slaagt natuurlijk alleen als je het zeer stevig onderbouwt en dat vraagt tijd.

Aan de slag!

De komende dagen ga ik om te beginnen eens wat informeren bij mijn contacten.

“Zouden we een petitie moeten starten”, vroeg ik me ineens af? Het lijkt met alle moderne middelen zo gedaan… “Maar brengt wel ook risico met zich mee“, gaf een ervaren activist me vandaag al terug. “Een petitie werkt alleen als je eerst zorgvuldig werkt aan het informeren van  je achterban en als je in staat bent hen ook werkelijk te mobiliseren om ook echt te tekenen als het er op aan komt. Doe je dat niet goed, dan wordt zo’n petitie achteraf tegen je gebruikt als er weinig reacties zijn. Dan mislukt je plan, maar vooral omdat je zelf je zaakjes niet voor elkaar hebt.

Daar zit wat in. Daarom wil ik graag weten of zo’n paal met kogelgaten nu iets met mensen doet, of niet… Laat het me weten!!!

Mena Muria in de Balie

Twee dagen geleden vond in De Balie in Amsterdam een avond plaats met de titel ‘Mena Muria, een treinkaping in de Polder‘. Gasten waren o.a. Sylvia Pessireron, Frank Westerman en Francis Janssen. Abé Sahetapy, destijds betrokken bij de kaping in Wijster, was helaas verhinderd.

Ik was erg blij dat iemand me op het laatste moment op deze avond had getipt. Voor mij  een uitgelezen kans eens te voelen hoe het onderwerp leeft onder de vele aanwezige Molukkers. Na al het gediscussieer met witte mensen, keek ik daar wel naar uit!

Wat viel me op? Ten eerste dat de historie van de Molukkers in Nederland inmiddels een goed beschreven geschiedenis mag heten. Sylvia Pessireron opende de avond met een prachtige inhoudelijke introductie, waarin ik -tot mijn opluchting- veel bekende dingen in hoorde. Dat is belangrijk voor me: een van mijn angsten is niet goed op de hoogte te zijn van de grote lijnen van de Molukse geschiedenis en dan de plank mis te slaan. Daar ben ik nu zekerder over. Ook was het fijn te horen welke zaken Pessireron de nadruk gaf. De executie van Chris Soumokil in 1966, bijvoorbeeld, kwam naar voren als een belangrijk factor voor de latere acties.

De meest pakkende opmerking kwam van Frank Westerman deze avond: “De Punt was een stukje koloniale oorlog in Nederland.” Juist gezegd en daarmee hier door mij ook met graagte herhaald! Het is niet voor niks dat ik in dit project De Punt een ‘slagveld’ noem en ‘plaats delict’ minder passend vind.

Ook zeer interessant was de  discussie met de zaal. Ik had meer felheid verwacht in die discussie, omdat me was verteld dat ook tussen de Molukse gemeenschappen grote verschillen in opvatting bestaan. Tot echt felle discussie kwam het deze keer niet. Voor mij is het interessant te weten of dit nu kwam door de opzet van deze sessie, door de samenstelling van het publiek, of doordat er over de betekenis van de acties gewoon niet zoveel discussie meer is… Het was jammer dat ik direct na het programma alweer weg moest, anders had ik graag nog wat Molukkers gesproken. Tot slot viel me op dat naast de sprekers vooral de vrouwen in de zaal zich in de discussie strijdbaar roerden.

De hele sessie is terug te kijken via De Balie TV.

Voor wie het nog niet wist, het is een spannend jaar, want de kaping bij De Punt is deze maand 40 jaar geleden. Wat dat betreft hoop ik dat we dit archeologische project komende maanden meer vaart kunnen geven. Ik kan inmiddels ook al met meer recht van ‘we’ spreken, want achter de schermen zijn verschillende mensen zich aan het beraden over een bijdrage en collega Ivar Schute heeft net aangeboden de redactie van de teksten voorlopig op zich te nemen. En daar ben ik heel blij mee (!), want hoe stom het ook mag zijn, het verschil tussen ‘geweldadige-‘ en ‘gewelddadige acties’ ziet mijn dyslectische brein helaas echt, echt niet. Dank alvast Ivar!

 

De treinen

m1oxg07abv2l_wd1280
Treinstel 747 bij De Punt (foto anp)

“Hoe is het afgelopen met de treinen?” Het was een van de vragen die al snel bij me op kwam toen ik nadacht over archeologische overblijfselen van de gijzelingsacties uit de jaren 70. Maar wacht, treinen, meervoud: hier viel me iets op toen ik informeerde naar wat mensen nog wisten van de Molukse treinkapingen. “Oh ja, dat weet ik nog wel, dat was bij Wijster, toch?” Zelfs bij mensen die oud genoeg zijn om de kapingen bewust te hebben meegemaakt, zijn de kapingen in de herinnering soms versmolten tot één gebeurtenis.

Dus toch even voor de goede orde:  het waren er twee. De eerste gijzeling vond plaats van 2 tot en met 19 december 1975 nabij het dorp Wijster. Het is een – ook naar huidige maatstaven – zeer gewelddadige actie te noemen, waarbij de Molukse gijzelnemers de machinist van de trein direct doodschoten en daarna – om druk te zetten op de overheid – nog 3 passagiers probeerden te executeren. Dit lukte uiteindelijk in twee gevallen. Na twee weken gijzeling en bemiddeling door mevrouw Soumokil en de heren Kuhuwael, de Lima en  Manusama gaven de kapers de gijzeling op en zichzelf over. De meesten kregen 14 jaar gevangenisstraf.

De tweede kaping vond anderhalf jaar na de eerste plaats en wel van 23 mei  tot en met 11 juni 1977 ter hoogte van het dorp De Punt. Deze treinkaping werd simultaan uitgevoerd met de gijzeling van de lagere school in het dorp Bovensmilde. Ook deze actie bij de Punt had een gewelddadig verloop, maar om een geheel andere reden. De kapers – onder leiding van Max Papilaya – hadden zich deze keer strikt voorgenomen geen slachtoffers te maken. Zij redeneerden dat juist het executeren van gijzelaars de hoofdreden was geweest dat de actie van 75 was mislukt. Desondanks voerden zij wel steeds dreigementen op dat ze mensen zouden executeren als de overheid hen niet tegemoet kwam. Het boek van Peter Bootsma lezend, lijkt het er op dat de strategie van de kaper zichzelf hier in de staart bijt, omdat die overheid met de ervaring van Wijster nog vers in het geheugen onder geen voorwaarde wilde riskeren dat er opnieuw burgerslachtoffers zouden vallen. De Landelijk Coördinator Terrorismebestrijding in het coördinatiecentrum in Assen wist van het voornemen van de kapers natuurlijk niets af. Hoewel ook in de trein bij de Punt de spanning enkele malen sterk opliep, werd deze gijzeling pas gewelddadig toen militairen van de Bijzondere Bijstands Eenheid op 11 juni het vuur openden. Terwijl schutters vanaf de oostzijde de trein volgens een strikt afgesproken vuurplan grootschalig onder vuur namen, naderden Mariniers van de BBE de trein vanaf het noorden op de kop, bliezen de deuren op en overmeesteren de gijzelnemers, waarbij de meesten van hen en twee burgers de dood vonden.

De geschiedenis van deze gijzelingen is natuurlijk gecompliceerder dan ik hier beschrijf. Deze tekst is alleen een opfrisser voor hen die de twee gijzelingen aan elkaar hebben geplakt. Voor een completer overzicht verwijs ik graag naar het boek van Peter Bootsma.

Een mobiele vindplaats

Vanuit een archeologisch perspectief doet zich hier iets bijzonders voor. Normaal doen archeologen  onderzoek naar de sporen van mensen op de plek waar iets werkelijk heeft plaatsgevonden en kijken zij in (en steeds vaker ook op of boven) de grond wat er nog van te vinden is. In dit geval is het belangrijkste stukje van zo’n plaats de trein zelf! Oftewel, in archeologische termen gezegd: de vindplaats was hier mobiel! In beide gevallen is de vindplaats dus na afloop van de gijzelingen zelfstandig weggereden dan wel gesleept.

Maar wat gebeurde er daarna?

De treinstellen van de kapingen in 75 en 77 behoorden beiden tot het ‘Materieel 54’, beter bekend als de ‘Hondekoppen’ van het model dat in de jaren 50 voor het eerst werd ingevoerd. Hoewel ze geen dienst meer doen als Intercity, kan men ook vandaag nog af en toe een Hondekop tegenkomen op een lokaal boemeltracé. Met schok vroeg ik me vorig jaar daarom ineens af of ze nog reden, de Hondekoppen van de kapingen, en hoe vaak ik zonder het te weten in een van deze treinen zou hebben gezeten. Zou het kunnen? En zou het mogelijk zijn anno 2017 alsnog onderzoek te doen aan deze mobiele vindplaats, mobiel slagveld, plaats delict of hoe je het ook wilt noemen?

Hoe het afliep met het Mat. 54

Nu ben ik natuurlijk niet de eerste die zich dat afvraagt. Het Materieel 54, vaker afgekort tot Mat. 54 heeft zijn eigen fanclub, die de historie van alle Hondekoppen uitvoerig  heeft beschreven. Zo ook de biografie van de treinstellen die betrokken waren bij de kapingen.

De trein bij Wijster bestond uit twee treinstellen met de nummers 328 en 378, aangeschaft en operationeel op de Nederlandse spoorwegen vanaf respectievelijk 1957 en 1962. Hoewel ik er zo snel geen vermelding van heb gevonden, is het vrij duidelijk dat er na de gijzeling van 1975 geen schade was aan deze treinstellen en dat zij waarschijnlijk al snel weer zijn ingezet. Treinstel 328 zou nog rijden tot en met 1993 en 378 zelfs tot 1995 voor zij uiteindelijk werden afgeschreven en gesloopt.

De levensloop van de trein bij de Punt is in dit opzicht bijzonderder. De trein – aanschaf 1957- was immers grootschalig onder vuur genomen door de BBE in 1977. Er zat geen ruit meer in, op enkele plaatsen geen lak meer op en de deuren waren opgeblazen. Beelden van de doorzeefde locomotief 747 gingen de hele wereld over. Einde verhaal?   Niks daarvan. Op 11 juni 1977, de dag van de ontzetting, werd de trein naar Zwolle gesleept voor onderzoek en op 22 juni naar Haarlem. Daar werd met hulp van een aantal Mariniers de bestorming van de trein opnieuw in scene gezet en gedocumenteerd. Op 14 juli was al het onderzoek afgerond en begonnen monteurs van de NS elk van de duizenden kogelgaten putje voor putje dicht te lassen, plamuren, schuren en spuiten. Op 28 november kwam de trein weer in dienst alsof er niets is gebeurd, al werd om de aandacht af te leiden het stel wel omgenummerd tot nummer 758. Hoe bijzonder het mij nu ook mag toeschijnen, het treinstel 747/758 blijft in dienst en vervoert nog vele duizenden mensen tot het in 1993 wordt gesloopt.

Mobiel Erfgoed?

Erfgoed kent vele vormen: er is gebouwd erfgoed, er is archeologisch erfgoed, er is immaterieel erfgoed en er is mobiel erfgoed, om even enkele categorieën te noemen.  Voor de laatste, het mobiel erfgoed, is ook vanuit de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed vooral de laatste jaren een groeiende aandacht. Uitgebreide ‘beschermingsplannen’ lijken vooralsnog te ontbreken, maar sinds een paar jaar is het boek ‘Erfgoed dat beweegt! Handboek culturele waardering Mobiel Erfgoed‘ voorhanden, dat bovendien recent nog een grondige update heeft gekregen.

Voor de treinen van Wijster en de Punt komt deze ontwikkeling te laat, maar toch, hè, je vraagt je af, heeft er nu niemand in 1993 en 1995 geaarzeld toen hij of zij (waarschijnlijk een ‘hij’) een pennenstreek zette en het lot van dit materieel definitief bezegelde?  De Mariniers wisten het al in 1977; zij namen direct na de actie het bordje met de bestemming ‘Groningen’, doorzeefd met kogelgaten, van de locomotief en het hangt nu in de Marinierskazerne op Texel. Één uur na het gevecht was een stukje van de trein al erfgoed, geen twijfel mogelijk! Heeft later niemand bij de NS die vraag gesteld, en zo ja, staat er iets van op papier?

Op papier…hmm….Alas, ik ben maar een archeoloog. Dit lijkt me typisch een vraag voor een historicus.

<>

Bron: Stichting Mat’54 Hondekop-vier. 2007. ‘Op dood spoor. Feitenrelaas van de Molukse treinkapingen’ met artikelen van o.a. Rob Neutelings en Sander Wegereef.

De archeologie van ‘the Troubles’

De uitnodiging van professor Symonds was zeer summier geweest: veel meer dan ‘just show up‘  stond er niet in. Onbekend met zelfs maar de titel van de komende lezing sprong ik woensdag op de trein van Ede-Wageningen naar Amsterdam.

LauraMcAtackneyy
Dr. McAtackney bij Long Kesh Prison (http://prisonsmemoryarchive.com)

Het mag duidelijk zijn dat de naam van associate professor Laura McAtackney voor mij voldoende informatie was om blind de reis te maken. McAtackney geldt sinds haar archeologisch werk over ‘the Troubles‘, de burgeroorlog in Noord-Ierland van 1968-1998, als een van de grootste experts op het vlak van de archeologie van recent conflict. Zelf kende ik haar vooral van haar werk over graffiti in Kilmainham Gaol gevangenis in Dublin.  Ik wilde haar voor Moluks Erfgoed graag opnieuw horen spreken in Amsterdam en werd niet teleurgesteld.

Het onderwerp van die dag was haar onderzoek in Long Kesh Prison, een gevangenis voor politieke gevangen in Belfast en de plek van de beruchte hongerstakingen met dodelijk afloop begin jaren 80. “Alleen al de woorden die je kiest in een onderzoek over dit onderwerp zijn problematisch”, begon McAtackney. Bijvoorbeeld: Noord-Ierland heeft in de loop der tijd verschillende namen gehad, maar welke naam je nu ook gebruikt, je raakt er altijd de gevoelens mee van één van partijen in het conflict. “Er zijn geen neutrale termen in zo’n conflict. Zelfs de naam ‘de archeologie van the Troubles‘, is eigenlijk al problematisch omdat die die naam verzacht dat er sprake was van een bloedige burgeroorlog”, vertelde McAtackney.

‘You can’t really get rid of a site’

Fascinerend, maar ook onthutsend, was haar beschrijving van hoe de nasleep van the Troubles uitwerkte op de inrichting van Belfast. De stad stond na het verdrag van 1998 vol met zogeheten ‘Peacewalls’ en met gepantserde overheidsgebouwen en uitgebreide observatiesystemen die ten doel hadden de bevolking in de gaten te houden. Na 1998 werden militaire en politionele gebouwen  – soms met enorme vaart –  gesloopt, waardoor er op locatie ook niet meer te reconstrueren is wat er precies heeft plaatsgevonden. McAtackney suggereert als ik het goed begreep  dat er hier voor een deel sprake was van intentioneel uitpoetsen door de overheid. Vervolgens vielen de braakliggende percelen echter ten prooi aan een beleidsvacuüm, waarin de overheid geen besluit durfde te nemen over deze littekens in het landschap. Soms werden ze gevuld met betekenisloze kunst, een gebrekkige oplossing  die  het pijnpunt alleen maar verscherpte.  Als gevolg zijn deze plaatsen vaak nog steeds merkwaardige terreintjes, waar de lokale bevolking zelf haar eigen monumenten heeft opgericht ter herinnering aan de strijd en de doden. Een voorbeeld hiervan is ‘Andersontown’ Police Station (zie foto’s). “You can’t really get rid of a site”, zegt McAtackney over dit soort plekken. Een vergelijking met Bovensmilde, waar na de Molukse acties van 1977 de school werd gesloopt en een gat midden in de gemeente zou achterlaten, ligt hier voor de hand (zie foto kop).

ANDERSONSTOWN_STATION_mtgoogle2016
Na lange discussie of Aldersontown Police Station een monument of museum moest worden, werd het gesloopt en bleef alleen een vreemd parkje over en aan het einde een monument gemaakt door omwonenden. (bron: internet en google)

Moluks erfgoed, of niet?

Na afloop van de lezing sprak ik de spreekster nog even persoonlijk, waarbij ook het project Moluks Erfgoed ter sprake kwam. In een paar minuten wist McAtackney mijn perspectief te flink aan te scherpen en te verdiepen (zeg maar gerust: ‘wow!’). Ze waarschuwde me ook hier voor de woordkeus in het project. Vrij vertaald: “Je mag best eerlijk zijn over je eigen interesse als conflictarcheoloog in het conflict, maar pas wel op dat je de herinnering van de betrokkenen niet stuurt.”

En dat is in dit project natuurlijk een lastige kern van de zaak. Als je de sporen van Molukkers in Nederland en specifiek de sporen van de Molukse Acties duidt als ‘sporen van…‘ of zelfs ‘erfgoed van conflict‘, raakt dit direct aan de manier waarop lezers van deze website, of mensen die ik spreek op het onderwerp zullen reageren. Hoe je als archeoloog je rol kiest,  is van wezenlijk belang. Of iets erfgoed is, moet elke gemeenschap voor zichzelf uitmaken (tenminste, als je in een vrij en democratisch land woont). De kritische archeologie heeft ons geleerd dat het tricky is daar als ‘wetenschappelijke deskundige’ in te sturen. Er zijn dikke boeken geschreven over hoe archeologen daarmee in relatie tot ons koloniale verleden naar huidige maatstaven verkeerd zijn omgegaan. Tegelijkertijd is het aan de andere kant onvermijdelijk, dat je met alles wat je doet toch stuurt, of je nu wilt of niet!

Wat een gedoe! Het is vast niet voor niks dat veel archeologen zich liever beperken tot sporen van culturen die niet meer kunnen terugpraten, zoals bijvoorbeeld de Romeinen. Nu ik daarover denk, is het wel apart dat het wat betreft die Romeinen e.a. vergane glorie nog steeds de norm is dat een selecte groep hoog opgeleide deskundigen genaamd ‘archeologen’ grotendeel geheel zelfstandig bepaalt wat voor alle Nederlanders het erfgoed is. In relatie tot project Moluks Erfgoed een interessant contrast, niet? Want, als ik als archeoloog onderzoek wil doen aan sporen van Molukkers, ontkom ik er niet aan met hen als groep en hun mening rekening te houden als ik iets zeg over hun erfgoed. Maar voor alle andere archeologie in Nederland, leren archeologen uit diep geleerde boeken op school in een academische setting wat wel en niet erfgoed is, zonder het buiten aan mensen te hoeven vragen…

Maar goed, of het nu handig was of niet, het korte gesprek met McAtackney was voor mij aanleiding de website Moluks Erfgoed direct bij thuiskomst aan te passen en daarbij het woord ‘conflict’ te schrappen uit de titel hierboven.  Ongetwijfeld ontstaat hierdoor wederom een rammelend alternatief. “There are no perfect answers to the problem“, zei McAtackney tijdens haar lezing. Duidelijk, ik blijf in dit project voorlopig nog in een staat van verwarring en misschien is dat maar goed ook.

<>

  • Meer over Laura McAtackney vind je op de website van Aarhus University.
  • Alle “citaten” van McAtackney hierboven zijn vrije vertalingen van hoe ik het verhaal heb begrepen en onthouden. Eventueel verkeerde uitleg van haar woorden is dus geheel voor mijn rekening.

De brand in de Ambassade 1966

Dutch_appr-1
Filmbeeld uit 1966 gebruikt in ‘Dutch Approach‘. Boven het tweede raam is een brandplek zichtbaar.

Op een vroege morgen in de nazomer van 2015 vertrok ik naar Den Haag voor de eerste visuele inspectie van de locaties van de Molukse acties. ‘Visuele inspectie’ is het woord dat we in de archeologische monumentenzorg gebruiken als we zeker weten dat er niet gegraven wordt: we gaan ‘even kijken’ en noteren de waarnemingen. Het doel van die dag was de Indonesische Ambassade in de Tobias Asserlaan.

De dood van Soumokil en de brand in de ambassade

Precies vijftig jaar eerder in 1965 viel de Republiek Indonesië in een crisis die zou leiden tot een ontzagwekkende golf van politieke moorden. Deze tijd wordt beschreven als de bloedigste periode in de geschiedenis van de Indonesische archipel en zou tussen de 500.000 en 1 miljoen slachtoffers eisen in 1965-66.¹ In 1967 zou Muhammad Soeharto op de voorgrond treden als overwinnaar en nieuwe president van de republiek. In de golf van dood en verderf rond de machtswisseling van Soekarno naar Soeharto werd ook de president van de Republiek Maluku Selatan, Chris Soumokil, geëxecuteerd op 12 april 1966. Soumokil was tot dat moment het gezicht van de Molukse strijd voor onafhankelijkheid. Na de proclamatie van de Republiek Maluku Selatan in 1950 was hij J.H. Manuhutu opgevolgd als president en leidde 13 jaar lang de gewapende strijd tegen het Indonesische leger vanuit Ambon en Ceram. Soumokil werd in 1963 gearresteerd, maar bleef ook in gevangenschap symbool van de hoop op Molukse onafhankelijkheid, ook in Nederland.

Op 26 juli 1966 kwam Soumokils weduwe mevrouw Josina Soumokil-Taniwel aan in ons land. De verslagenheid over de dood van president Soumokil was groot onder de Molukse gemeenschappen. Het beeld van Njonja Soumokil met haar zoontje op Schiphol deed de woede echter opflakkeren. Nog dezelfde dag besloot een groep Molukse jongeren dat er een daad gesteld moest worden en beraamden een plan dat zij zonder aarzeling die nacht nog zouden uitvoeren. Zij tokken naar Den Haag en na voorbereidingen te hebben getroffen in de tuin van de Belgische ambassade, benaderden zij  Indonesische ambassade in de Tobias Asserlaan en gooiden brandbommen door de ruiten. Terwijl om hen heen de brandweer en politie met loeiende sirenes door de straten scheurde op zoek naar de daders, maakten de brandstichters zich via de tuin van het Catshuis uit de voeten.

In de Tobias Asserlaan

In Den Haag was mijn eerste plan om gewoon even voor de deur van de Indonesische Ambassade te stoppen en een foto te maken: verschillende internetbronnen hadden me immers bevestigd dat ook de diplomatenwijk ‘gewoon de openbare weg’ is waar je mag fotograferen. Aangekomen in de T. Asserstraat bleek echter dat bijna alle parkeerplaatsen in de straat toebehoorden aan een specifiek ambassadegebouw. Toen ik uiteindelijk dan toch maar parkeerde voor één van de leegstaande gebouwen, begonnen wat mensen die ik zag in de tuin van de Amerikaanse ambassade zenuwachtig te lachen, heen en weer te lopen achter het hek en keken allemaal mijn kant op. Pas toen zag ik pal naast mijn auto het bord ‘streng verboden te parkeren’. Me bewust dat de tientallen beveiligingscamera inclusief de marechaussee in de glazen kooi achter me nu waarschijnlijk al bezig waren met gezichtsherkenningsoftware en mijn nummerbord, maakte ik me snel uit de voeten, overdreven duidelijk met mijn vlakke hand op mijn voorhoofd slaand om mijn vergissing inzichtelijk te maken voor mijn publiek.

Het komt er op neer dat je een ambassade dus niet zomaar fotografeert. Niet dat het technisch niet zou kunnen of dat het verbod duidelijk omschreven aangeplakt is, maar in de Tobias Asserlaan met al zijn camera’s en politie laat je het gewoon wel uit je hoofd! De foto in de kop van dit bericht is dan ook niet van mij, maar komt van Google (2016). Pas nu begrijp ik plotseling de keuze in de documentaire ‘Dutch Approach’², want ook filmmaker René Roelofs koos destijds voor een shot van de ambassade vanuit een rijdende auto en niet een fraaier totaalshot met een pan of zoom met een statief vanaf de stoep…Ach so

Na wat verderop geparkeerd te hebben, maakte ik een wandeling terug naar het ambassadegebouw. Zoals verwacht is er aan de ambassade zelf niets meer te zien wat op de brand uit 1968 wijst. Die schade is -voor het oog- hersteld, maar wie weer wat zich nog onder de nieuwe verlagen bevindt, of in het interieur.

In de zonet genoemde documentaire Dutch Approach vertelt een van de brandstichters van 1968 dat zij na hun daad over de muur van het Catshuis zijn geklommen. Die muur is vanaf de ambassade het snelst te bereiken op de kop van de Asserlaan. Daar bevindt zich nu ook een bankje tussen wat bomen en aangezien de brandstichters er waarschijnlijk baat bij hadden zo snel mogelijk achter de muur te geraken en de bomen de klim hier sterk vereenvoudigen, ligt het voor de hand dat zij ook direct hier op de hoek de sprong hebben gemaakt. Hoewel de muur zich maar op 75 m van de ambassade bevindt, was fotograferen hier voor mij aanzienlijk prettiger.

Catshuys_klein1
Muur van de tuin Catshuis op de kop van de T. Asserlaan in 2015.
Google_asserlaan_topo_bewerkt
Kaart van de situatie. (bron: google)

Naschrift: * Terwijl ik de laatste zinnen type, vertelt Simon Tahamata bij ‘de Perstribune’ op NPO Radio 1 hoe sterk de Acties en de RMS nog sterk leven in zijn kringen.

Voetnoten

¹ Wikipedia
² ‘Dutch Approach‘ – vierdelige documentaireserie uit 2000 van René Roelofs.

Pas op de plaats…en door!

_MG_6510_klein
Bovensmilde, 2015

“Oké…oké, diep ademhalen en eerst even rustig kijken…” De afgelopen weken zijn druk genoeg geweest, maar veel tijd voor uitvoerige bezinning is er niet. De lente barst los en alles komt in een stroomversnelling. Alle projecten trekken aan, worden drukker, agenda’s stromen vol, waar staat het project over Moluks Archeologisch Erfgoed ondertussen? Ik moet even reflecteren, want anders komen we geen stap verder.

Laat ik eens terug kijken in de agenda. In september 2015 startte ik de eerste verkenningen voor dit project, zie ik net. Nee, dat is niet waar, het begon al eerder, want toen ik in september dr. Fridus Steijlen sprak bij het ITKLV in Leiden, had ik zijn boek ‘In Nederland gebleven‘ al een heel eind uit. Over dat gesprek later misschien meer, maar eerst terug naar het begin. De wortels van dit project liggen in de conflictarcheologie.  Dat moet ik hier even uitleggen.

Het einde van het ouderdomscriterium

Conflictarcheologie betekent letterlijk ‘de archeologie van conflicten’. Archeologen doen onderzoek naar de sporen van het verre verleden, dus een conflictarcheoloog doet onderzoek naar de sporen van conflict, zoals van oorlog, geweld en onderdrukking. Deze ‘tak van de archeologie’ (als je het zo mag noemen) heeft zich de afgelopen jaren sterk ontwikkeld in Nederland. Archeologen keken op zich altijd wel al naar sporen van oorlog en geweld van oudere perioden, maar vanaf 2008 gebeurde er iets opmerkelijks. Vanaf dat jaar gingen archeologen namelijk steeds meer onderzoek doen naar sporen van de Tweede Wereldoorlog.¹

“..de wortels van dit project liggen in de conflictarcheologie”

Hoewel het nu soms alweer bijna normaal lijkt, was en is het dat zeker niet. Vóór die tijd keken Nederlandse archeologen alleen naar veel oudere sporen. Steentijd, bronstijd, Romeins, vooruit de Middeleeuwen ook nog, maar met jongere perioden moest je bij veruit de meeste archeologen echt niet aankomen. Dat vonden ze onzin. En velen vinden dat nog steeds. Na 2008 veranderde dat een beetje toen op de Grebbeberg onderzoek werd gedaan naar de ‘Stoplijn’, een linie van gevechtsloopgraven uit de tijd dat de Duitsers binnenvielen (1940). Ik werd er door twee archeologen – Ivar Schute en Ruurd Kok bij gevraagd als vrijwilliger. Niet lang daarna kreeg ik er zelfs een baan in toen ik werd gevraagd om mee te werken aan een opgraving van een Nederlandse kazemat. Ik zou vijf jaar in dienst blijven bij RAAP Archeologisch Adviesbureau en meewerken aan het ene archeologisch onderzoek na het andere. Of het nu ging om Duitse bunkers, loopgraven, schuttersputten of munitiedepots, we hebben het allemaal gezien en in feite doe ik dat werk nu als freelancer nog steeds.

Afhankelijk van je visie op archeologie – en daarin zijn misschien wel geen twee archeologen hetzelfde – gebeurde in 2008 dus iets fundamenteels. Het ‘ouderdomscriterium’ werd doorbroken. Als zelfs de Tweede Wereldoorlog,  die toen  nog maar 63 jaar daarvoor was afgelopen, voer kan zijn voor archeologen, waarom dan niet ook de Koude Oorlog (1945-1999) , of de Nederlandse bijdrage aan de Koreaanse Oorlog (1951-1953)…of de VN Missie in Libanon (1979-1985)? Nee, dat soort onderzoek gebeurt allemaal nog niet, maar waar het om gaat is dat de belemmering doorbroken werd om er over na te denken. Waarom zou de archeologie moeten ophouden bij jaartal X of Y? Wat is de reële betekenis van zo’n eindstreep? Ergens in de gesprekken die we er over hadden op kantoor met collega’s, op congres in het buitenland, of in de kroeg viel bij mij het kwartje: “Waarom geen archeologisch onderzoek naar het conflict van de Molukse gemeenschap(pen) met de Nederlandse Staat?

Geen ruimte voor escapisten

Ik voeg er direct aan toe dat die eerste gedachte volkomen naïef was! Nu volgt een streng oordeel dat net zo hard mijzelf treft als ieder ander die zich aangesproken zou kunnen voelen: archeologen zijn escapisten. Na vijf jaar werken in de archeologie kan ik in veel gevallen niet anders dan concluderen dat archeologen in hun werk verleid worden door de romantiek van het verleden. Het is niet voor niks dat veel mensen bij het woord ‘archeologie’ direct denken aan Indiana Jones. Hoewel het ze op de academie natuurlijk wordt afgeleerd, doen archeologen dat zelf ook! Wat is er nu mooier dan met een clubje gelijkgestemden -met mooi weer – graven naar de verborgen schatten om daarmee langzaam een mysterieuze cultuur te reconstrueren die je nooit echt zal kennen en fantaseren over hoe alles toen was? Het grote succes van het Britse televisieprogramma Time Team bewijst het gelijk van deze stelling. Terwijl het echte archeologisch werk vaak hard is -eindeloos slepen met kruiwagens op dagen met alleen maar hagel en wind – houdt elke archeoloog zich  overeind met het dromen over het resultaat van zijn of haar onderzoek: de kunst van het verzamelen van echte kennis over het verleden! Maar als je als archeoloog een foute conclusie trekt, maakt het geen donder uit, want de Romeinen zijn toch allemaal dood en kunnen zich niet verdedigen. Je kunt in feite doen wat je wilt. Het enige risico dat je loopt is discussie met je collega’s, maar dat geeft het werk juist zijn sjeu.

En daarin zit de kern van waarom ik mijn eerste gedachte hierboven naïef noemde. Natuurlijk kan een archeoloog onderzoek doen naar recente conflicten -daarvan zijn in het buitenland vele voorbeelden –  maar dit keer is die keuze niet zonder consequenties. Met zo’n onderzoek aan recent conflict kan en zal je ook mensen boos maken, of beledigen, pijn doen zelfs. Bij recent conflict, of zeker conflict dat nog niet helemaal is afgesloten, kan elke actie die je neemt doos van Pandora openen.² Voor escapisme is hier geen plaats, want de realiteit van het conflict zal je genadeloos inhalen. Opgraven is bij recent conflict dus altijd ook politiek geladen. Graven is een keuze en dus stelling nemen.

Toch de vragen stellen…

In 2015 nam ik de eerste stappen, schreef ik hier boven. Het is niet voor niks dat de eerste schreden naar openbaarheid van dit project over Moluks Erfgoed via deze website pas in 2017 volgden. Ik wilde het graag goed doen en absoluut zeker zijn van mijn eigen intenties en aanpak. Stad en land heb ik afgereisd en stiekem al heel wat mensen gesproken, maar hoe meer mensen ik sprak en hoe meer ik leerde over de Molukkers in Nederland, hoe moeilijker het werd om nog zeker te zijn van mijn zaak. De geschiedenis van de Molukkers in Nederland is een pittige geschiedenis, die aan beide kanten en zeker aan de kant van de Molukse gemeenschappen leed heeft veroorzaakt. Voor sommigen is dit leed iets van vroeger, voor anderen is het nog juist zeer actueel. Als archeoloog ben ik hierin een buitenstaander, die vrijwel onmogelijk met het juiste gevoel van afstemming kan handelen.

“..als je iets opraapt, ben je er daarna verantwoordelijk voor”

Maar toch moet het wel. Als archeoloog leer je in je werk minstens twee belangrijke dingen. Ten eerste leer je dat sporen uit het verleden zeer kwetsbaar zijn. Als je niet oplet, kunnen ze zomaar verdwijnen. Het tweede is – en dit is de ethische kant van de zaak – dat als je als archeoloog ziet dat mogelijk erfgoed gevaar loopt, dat je dan je mond open moet doen en wat zeggen, want als jij het niet doet, doet misschien wel niemand het. En met erfgoed loopt het altijd hetzelfde af: pas tegen de tijd dat men doorheeft wat iets waard is, is het al bijna allemaal verloren gegaan.

Als je iets opraapt, ben je daarna verantwoordelijk.Zo werkt de mores van de archeologie. Ik was naïef en heb wat opgeraapt. Nu moeten de vragen worden gesteld!

Voetnoten

¹ Zie voor een wetenschappelijk overzichtsartikel  “Conflict archaeology in the Netherlands: The role of communities in an emerging archaeological discipline.”Jobbe Wijnen, Jobbe A. T., Ivar A. Schute, and Ruurd S. Kok, 2016.Journal of Community Archaeology & Heritage. doi: 10.1080/20518196.2015.1123889

² Zie voor een wetenschappelijk bundel over de lastige kanten van dit soort archeologie ‘Ethics and the Archaeology  of Violence‘ Gabriel Moshenska & Alfredo Gonzales Ruibal (eds.) 2014.