Baarschot, een mooie verassing.

Soms stel je je niets speciaals voor bij een bezoek aan een kamp zo als afgelopen zaterdag. We besloten twee kampjes in de buurt van Tilburg te doen omdat we dat makkelijk op één dag zouden redden. Het waren immers twee kleine kampen waar weinig over te vinden was. De dag zou echter anders verlopen, het werd een drukke dag met mooie ontdekkingen. We kwamen s’morgens aan in Baarschot aan de Spreeuwelsedijk. We parkeerden en liepen even rond om na te gaan of we op de juiste plek waren. Aan het begin van het terrein van wat nu Eigentijdserf heet, staat een klein wit huisje. We wilde even vragen of we rond mochten lopen, maar een hard blaffende hond deed ons naar het hoofdgebouw uitwijken. Al lopend zagen we rechts al een groen schuurachtig gebouw tussen de struiken. Het zal toch niet waar zijn? Bij het hoofdgebouw aangekomen was er niemand behalve een bordje met een telefoonnummer dat we konden bellen. We belden en werden weer terug geleid naar het kleine huisje. De hond kwam ons al blaffend tegemoet, maar bleek niet te bijten. We werden hartelijk begroet door de ‘beheerder’ Wim van Bijsterveld die na het horen van de reden van ons bezoek zei: Nou jullie kunnen wel in de barak kijken die nog over is uit het kamp. Hij moest even de sleutel halen en wij moesten even diep ademhalen. Ons vermoeden was dus juist geweest die groene schuur was nog een originele barak .

Oude barak uit het woonoord Baarschot van groen hout met witte kozijnen nu nog aanwezig.
Oude Barak uit het woonoord nog aanwezig in Baarschot.

De barak wordt nu als schuur en werkplaats gebruikt, maar was vroeger de kantine en kerk. De barak heeft dan ook een grote open ruimte en wat kleiner zijkamertjes. De houten balken die het dak ondersteunen zijn nog in prima staat, alsof ze er gister neergezet zijn. De balken staan op kleine betonnen pilaartjes. De vloer is van hout met daarop blauwgrijze plavuizen. Om de pilaren zijn witte siertegels gelegd die een vierkant vormen. De vloer ligt vol met spullen en zaagsel, maar het is nog duidelijk te zien dat het een elegante indruk moet hebben gemaakt. De originele deuren staan in een stapel opgesteld.

De binnenkant van de barak in Baarschot met de open ruimte. Links staan de originele deuren. Rechtsachter is nog een deuropening te zien naar een klein kamertje en een oude wc.
De binnenkant van de barak met de open ruimte. Links staan de originele deuren. Rechtsachter is nog een deuropening te zien naar een klein kamertje en een oude wc. Binnen is het droog, maar vol met spullen.

Wim wijst ons nog op een ander origineel detail, de hoofdstroomschakelaar. Deze zit onder de stoppenkast die wel vernieuwd is. De barak stamt uit 1932 toen het kamp als DUW-kamp werd gebouwd. De barak is dus bijna 90 jaar oud. Van binnen is wel van alles veranderd. De deur vanuit de hal naar de grote ruimte is eruit gezaagd zodat er grotere dingen naar binnen konden worden gebracht. In het halletje is ook een plaat uit het plafond verwijderd, waarschijnlijk om de bedrading te bekijken en de staat van het dak te controleren. Aan de linkerkant achter in de zaal zijn moderne toilets geplaatst en er is centrale verwarming. Maar de algehele indruk is toch dat de barak nog een heel goede indruk geeft van hoe het was. Je moet alleen even alle spullen wegdenken.

De originele hoofdschakelaar voor de stroom in de barak in woonoord Baarschot
De originele hoofdschakelaar voor de stroom

De buitenkant laat echter zien dat de barak wel op zijn laatste loodjes loopt. Hoe goed het er van binnen uitziet, hoe erg de gaten in de buitenkant zijn. Het hout is op vele plekken aangetast en je kunt door de gaten de binnenwand zien. Het geeft voor de archeoloog natuurlijk een mooi kijkje in de constructie. Maar toch had ik dat liever niet gezien. De ruimte tussen de binnen- en buitenwand is maar enkele centimeters en het staketsel waarop de wandplanken zijn aangebracht bestaat uit dikke planken in plaats van balken. Er is helemaal geen vorm van isolatie te bekennen, maar dat was ook niet verwacht.

De achterkant van de barak in woonoord Baarschot. Boven de kozijnen zijn de gaten in het hout duidelijk te zien, maar ook op ander plekken kun je tussen de planken gaten zien.
De achterkant van de barak. Boven de kozijnen zijn de gaten in het hout duidelijk te zien, maar ook op ander plekken kun je tussen de planken gaten zien.

De kozijnen zijn echter nog in redelijke staat. De meeste raampjes zijn nog intact ook al hebben sommige wat barsten. Al met al een bijzondere vondst. Wim nodigt ons uit voor een kopje thee in de tuin van zijn woning. Deze woning stamt ook nog uit het kamp en was vroeger het badhok en de schuur. Aan de zijkant is zelfs nog een ring om een paard vast te zetten. Van binnen is het echter helemaal verbouwd en sommige deuren en ramen aan de buitenkant zijn veranderd. De zeer grote schoorsteen voor zo’n klein huisje laat zien dat het een andere functie dan woonhuis heeft gehad.

Het voormalige badhuis en garage van het woonoord Baarschot gezien vanaf de weg.
Het voormalige badhuis en garage van het woonoord Baarschot gezien vanaf de weg.

Wim woont hier al 40 jaar en in het begin stonden er nog meer barakken op het terrein. Een grote barak voor de beheerder en het kantoor stond schuin achter het huis en links op de parkeerplaats stond nog een woonbarak parallel aan de weg. De Molukse bewoners waren echter al weg toen hij er kwam wonen. Af en toe komen er nog oud bewoners of hun kinderen langs om te kijken naar hun oude woonplek. Ten tijde van het woonoord was hier het einde van de verharde weg, verder naar het zuiden werd het zandpad. Het kamp heet dan ook Baarschot omdat het alleen door het dorp te bereiken was, terwijl het kamp eigenlijk in Westelbeers ligt. De weg is pas in 1963 helemaal verhard. Toen de barak uit het nabijgelegen Lage Mierde werd overgeplaatst naar het open luchtmuseum in Arnhem, werd de grote barak in Baarschot ook ingemeten zodat men de inrichting in de juiste maten kon maken. Voordat we er erg in hadden waren we een paar uur verder. Wim raadde ons aan in Hoge Mierde ook even langs het museum te gaan van de eigenaar van cafe de Bijenkorf voordat we naar het woonoord Lage Mierde zouden rijden. Maar daar over later meer.

Boekbespreking Ombak Maluku (Molukse golven).

In april werd het boek ‘Ombak Maluku: Molukkers ongewild naar Nederland’ geschreven door Jim Worung en Nanneke Wigard uitgegeven. Het is een goed vormgegeven boek vol foto’s en documenten. Het matte papier zorgt voor een mooie afwerking en geeft diepte aan de foto’s. De eerste indruk van het boek is dan ook goed. Het boek is ingedeeld in drie grote hoofdstukken: Gebeurtenissen voor vertrek, De Reis, en De Aankomst.

boekomslag Ombak Maluku

Het eerste hoofdstuk over de tijd vlak voor het vertrek geeft erg veel informatie, maar dat wil niet zeggen dat alles duidelijk wordt. Dit komt niet doordat ze rommelig schrijven, maar omdat de situatie zelf zo onoverzichtelijk is. Tegenstrijdige berichten via verschillende kanalen, een grote tijdsdruk en constant veranderende omstandigheden zorgen voor een complex geheel, waar niemand het gehele overzicht heeft. Het is wonderbaarlijk dat ze hier nog een samenhangende tekst van hebben kunnen maken. Wat mij vooral bij blijft uit dit eerste hoofdstuk is dat de gezinnen al zoveel hadden meegemaakt voor het vertrek. Door de oorlog verbroken gezinnen die net weer bijeen zijn, familieleden die overlijden, het vele rondtrekken van de militaire gezinnen waardoor ieder kind in een andere plaats is geboren, en daar bovenop het vrij plotselinge vertrek. Vaak had men maar enkele dagen de tijd om zich voor te bereiden op het vertrek en had men geen idee wat men mee moest nemen omdat het maar voor enkele maanden in een ver vreemd land zou zijn.

In het hoofdstuk De Reis wordt de overtocht besproken. Elke boot wordt beschreven. Een deel van de tekst is gebaseerd op de beschrijving van de Nederlandse leiding. Het is duidelijk vanuit een militair perspectief waarbij de vrouwen en kinderen zich moeten schikken naar de militaire orde en er weinig compassie is. Het is duidelijk dat die militairen geen ervaring hebben met burgers en hoe met hen om te gaan. Het maakt enorm veel uit op welke boot je toevallig terecht komt in hoe de reis ervaren wordt. Het varieert van vijf-hoge slaapplekken in broeierige ruimen tot goede hutten. Mannen werden meestal gescheiden van hun vrouwen en kinderen wat voor gezinnen natuurlijk raar is. En het varieerde van wassen met zout water tot genoeg zoet water voor iedereen. Op sommige boten is bijna iedereen zeeziek, terwijl andere boten hier bijna geen last van hebben; wat de kwaliteit van de reis sterk vergroot. Sommige boten zijn rustig of gezellig terwijl er op andere veel onrust en ruzie is. Overal zijn verstekelingen die in het boek uitgebreid besproken worden. De verhalen van de toenmalige kinderen die de reis maakten geven het geheel kleur. Wat ik het meest opvallend vind, is dat er geen duidelijk beleid lijkt te zijn over wie van de kinderen mee mogen. Sommige laten gedwongen enkele van hun vier kinderen achter terwijl anderen met acht kinderen aan boord gaan. Het lijken onmogelijke keuzes die natuurlijk verward worden door de gedachten dat het om een tijdelijk afscheid gaat. Het kwam wel vaker voor dat kinderen enige tijd op andere plekken of bij familie onderdak vonden voor scholing en dergelijke. Men kon de permanente scheiding niet voorzien.

Een grappig detail is dat een bediende op de Kota Inten (tweede reis) wegens brutaliteit van de Willem Ruys was verwijderd. Dit is het schip waarmee mijn ouders enkele jaren later naar Nieuw-Zeeland zouden emigreren, om tien jaar later weer terug te keren naar Nederland.

Het laatste hoofdstuk gaat over de aankomst in Nederland. Per boot wordt verteld hoe en wanneer er ontscheept wordt. Het is duidelijk dat het daadwerkelijke ontslag uit dienst moeilijk of niet geaccepteerd wordt. De eerste indrukken die opgeschreven zijn van vooral de kinderen laten zien dat men totaal niet voorbereid was op het daadwerkelijke Nederland. De sneeuw die er was bij de vroege aankomsten was natuurlijk bijzonder, maar de kale bomen lieten een diepe indruk na. Dat moet ook een onbegrijpelijk uitzicht zijn geweest voor iemand uit de tropen. De ontvangst was zakelijk en de omstandigheden in de kampen was meteen ondermaats. Na zo’n zware reis zal slapen op een strozak wel heel erg tegenvallen en dan hebben we het nog niet over de gedeelde wc’s en het gebrek aan makkelijk toegankelijk warm water. Maar ook hier verschilt het heel erg in welk woonoord je terecht kwam. In het boek is ook aandacht voor de Molukkers die op andere tijdstippen kwamen of die niet bij de KNIL hadden gezeten. Dit is een onderdeel dat helemaal nog onderbelicht is in de geschiedschrijving.

Het is een boek waar de auteurs trots op kunnen zijn. Zij weten veel informatie over de overgangsperiode op overzichtelijke wijze te plaatsen. Soms is de tekst wat telegramstijl, maar dat komt door de militaire bronnen die gebruikt zijn. Voor iedereen die meer wil weten over hoe de Molukkers in Nederland kwamen is dit boek zeker een aanrader. Ik heb het in ieder geval met veel interesse gelezen en genoten van de mooie foto’s die, ook al zijn ze zwartwit, het verhaal kleur geven.

Oostburg, De Wilgenhof, een driehoek met nissenhutten.

De Wilgenhof is een driehoekig kamp in de splitsing tussen twee wegen, de Nieuwstraat en de Grotendam in Oostburg. Toen ik er was stond het gras tot ver boven de knieën. De originele hekpalen uit de tijd van het kamp stonden er nog. Het hek had wel een slot, maar was open. Ik zag niemand en vond het niet gepast om zomaar iemands terrein te betreden. Door het hoge gras had ik ook weinig kunnen zien.

De vorm van het kamp is nog duidelijk te zien in de begroeiïng op de grenzen van het perceel. Er was verder weinig te zien, en het lijkt er op dat alle beton en bestrating verwijderd is. Er was geen verstoring in de begroeiïng te zien die vaak wijst op achtergebleven structuren. Het kamp werd nadat de laatste Molukse bewoners waren vertrokken compleet afgebroken omdat de kosten voor renovatie te hoog waren.

In het boek Molukkers in Zeeland staat uitgebreid omschreven hoe het kamp ingedeeld was. Aan de wegzijde was een houten barak op steenfundering die diende als kerk en kantine en een stenen barak met de beheerderswoning, kantoor, magazijn, de keuken, en een kamer voor de aflosbeheerder. Tussen deze barakken was de toegang tot het kamp. De andere twee zijde van het kamp vormde een driehoek door middel van in totaal 20 nissenhutten. 1 nissenhut deed dienst als stookgebouw en badhuis. De eerste bewoners kwamen van de boot Castelbianco die op 24 april in Rotterdam aankwam. In het eerste jaar woonde er rond de zestig mensen. In 1957 was dit uitgegroeid tot bijna 140 mensen. Zoals onderstaande afbeelding laat zien was het een netjes kamp met bestrating en hegjes (bron MHM, FF10951) Er was ook elektriciteit en stromend water.

De bewoners van het kamp hielpen in februari 1953 bij de watersnoodramp. Maar zij gaven meer dan alleen maar mankracht. Een collecte in het kamp haalde ook nog eens 104 gulden op. Als je bedenkt dat men 3 gulden per week kreeg, is dit veel geld. In 1954 reed koningin Juliana langs het kamp op een tocht die herdacht dat haar moeder koningin Wilhelmina in 1945 via Zeeland weer op Nederlandse bodem was gekomen. Juliana werd bij het kamp uitbundig toegezwaaid.

Het lijkt erop dat ook al woonde men in het moeilijk bereikbare Zeeuws-Vlaanderen men niet het contact met de rest van Nederland verloor. In 1954 als in kamp Lunetten gestaakt wordt tegen de zelfvoorzieningsregeling, stuurt de kampraad (samen met andere kampen in Zeeland) een bericht van steun aan de stakers.
In 1958 wordt er gesproken over het opheffen van de kampen in Zeeuws Vlaanderen omdat de bewoners geen werk kunnen vinden. De staat moet hierdoor geld bijleggen en de kampen worden als onrendabel bestempeld. De bewoners hebben het echter naar hun zin en hebben geen haast met vertrekken. Uiteindelijk zal het laatste gezin pas begin 1963 het kamp verlaten. Dit betekend voor de gemeente met woonoorden een teruggang in hun aantal inwoners, want sinds 1958 waren zij bij de gemeente ingeschreven. Vooral voor de kleine gemeentes zoals Oostburg was dit een verlies. Maar met de reünie in 2019 waren er voor even weer vele Molukkers in Oostburg.

Woerden de Kazerne, een gokpaleis?

Het is al weer bijna drie jaar geleden dat Jobbe en ik naar woonoord de Kazerne in Woerden gingen. Deze ligt in het centrum van Woerden en is nu onderdeel van een gezellig winkelgebied. We moesten de workshop in Denemarken voorbereiden en wat is er dan makkelijker dan een café in een woonoord in het midden van het land. Het gebouw staat er nog en is een rijksmonument. Er is verder geen uitleg waarom het een rijksmonument is. Op 19 juni zal de stichting Sinar Maluku een plaquette onthullen bij de kazerne en een boek uitbrengen. Ik kijk uit naar het boek. Binnen is de kazerne helemaal gerenoveerd en veranderd. De barman zei dat er nog regelmatig Molukse oud-bewoners langskomen om hun oude woonplek te bezoeken. De Kazerne is één van de drie kleine woonoorden in Woerden.

De kazerne was eerst in gebruik voor gerepatrieerde Nederlanders, die werden elders ondergebracht. Met ingang van april 1951 woonde er in de Kazerne 21 Molukse gezinnen. Bij aankomst lag er voor hun een welkomstbrief in het Maleis en een bloemetje van de stichting Door de Eeuwen Trouw. Elk gezin kreeg een woon- en slaapkamer, in totaal 36 m2, afgescheiden door een triplex wandje. Verder was er een potkachel,een tafel, vier stoelen, stapelbedden en een kast. De keuken, wasgelegenheid en kantine waren gemeenschappelijk (website vijf eeuwen migratie, bron p159). Het schooltje in de kazerne word in februari 1952 overgenomen door de vereniging voor Christelijk onderwijs. Daardoor kwam de school in een Nederlands onderwijssysteem terwijl het daarvoor onder het ministerie van Uniezaken en Overzeese Gebiedsdelen viel. De kampraad had hier mee ingestemd. Blijkbaar zag men het in het Nederlandse onderwijs geen hindernis voor de terugkeer naar de Molukken.

Het hijsen van de RMS-vlag in de kazerne. Het vlagincident vond hier echter niet plaats ook al wordt deze foto (MHM F90_0797) daar vaak bij gebruikt.

Op 14 mei 1962 las een karakteristieke kop in de Telegraaf “Poltieoverval op Ambonezenspeelhol”. Om half een s’nachts vielen 4 politieagenten met aan het hoofd de korpschef het lokaal binnen waar 16 mannen het spel Main Dadu speelden. Op de bank trof de politie 40 gulden aan. Dit bedrag doet nu toch wel heel lachwekkend aan als we spreken van een speelhol, maar soms ging het om veel meer geld. Het lijkt erop dat de vrouwen van de mannen naar de politie waren gestapt omdat zij al een tijd geen geld kregen van hun mannen die het vergokten. Dat is natuurlijk een serieuzere zaak als gezinnen te lijden krijgen onder het gokgedrag van de vaders. De spelers kwamen uit alledrie de Woerdense kampen plus Vossenbosch en Lunetten. De krant vermeld uitgebreid hoe het spel gespeeld wordt. Er is een zeildoek van 3 bij 1 meter waarop figuren en 6 bijbehorende getallen staan. Op een tolletje staan dezelfde 6 getallen. De tol wordt aan het draaien gebracht en wordt afgedekt met een metalen hoedje. De deelnemers zetten geld in op een figuur op het doek. Als de tol stil ligt wordt het hoedje er af gehaald en heeft het cijfer dat bovenaan de tol staat gewonnen. De inzet wordt voor de winnaar in 2, 4 of 6-voud uitgekeerd en de rest gaat naar de bank. Het spel kan wel een dag en een nacht duren. De mannen worden de hele nacht ondervraagd, maar wat er verder gebeurd met hen wordt niet verteld.

Verder lijkt er weinig opzienbarends in het woonoord te gebeuren. In ieder geval geen dingen die het nieuws halen. In december 1967 werd het kamp opgeheven.

Uitzicht uit één van de ramen van de Kazerne. Behalve de tafeltjes zal het uitzicht niet veel veranderd zijn. De foto met de vlag is genomen bij de stenen column, zichtbaar in het raampje linksonder.