Medemblik: kamp van de terugkeer.

Een doorsnee jaren zestig woonwijkje ligt nu op de plek van woonoord Medemblik. Dit wijkje is direct na het verlaten van het woonoord gebouwd. Er is niets terug te vinden van het oorspronkelijke kamp en er is ook geen gedenkteken voor de Molukse bewoning. Maar dat is misschien niet zo vreemd als we de geschiedenis van het kamp bekijken.

De locatie van het woonoord Medemblik in December 2020, hoek Koggenlaan, Wijmersplantsoen.

Medemblik was eerst een DUW kamp. Vervolgens kwamen er Molukse bewoners. Uit die eerste periode van de bewoning door Molukkers is weinig bekend. Na hun vertrek kwamen er Hongaarse arbeiders wonen die later weer vervangen werden door repatrierende Nederlanders. In 1958 wordt er in de krant (het Algemeen Dagblad) bericht over de spartaanse toestanden in het woonoord. En vooral hoe de overheid weigert deze omstandigheden te verbeteren en zelfs hulp vanuit Medemblik verbiedt. Dit terwijl er op dat moment gerepatrieerde Nederlanders uit Indonesië wonen die extra zorg nodig hebben.

In 1959 komen er weer Molukkers wonen in Medemblik, waaronder gezinnen uit kamp de Beenderribben. In 1959 is de overheid al in gesprek met de gemeente Wormerveer om daar een Molukse wijk te bouwen met 50 woningen en een kerkje omdat het kamp in Medemblik opgeheven gaat worden. Wormerveer wordt als een industrie-gemeente omschreven en men verwacht dat de Molukkers daar aan werk kunnen komen (Volkskrant). Het is duidelijk dat men de Molukkers als arbeiders beschouwt en zij eigenlijk alleen voor de laag niveau banen in aanmerking komen. Het is niet duidelijk hoeveel Molukkers uit Medemblik daadwerkelijk in Wormerveer zijn gaan wonen.

Woonoord Medemblik, foto van het MHM (F95-2046).

Medemblik is namelijk vooral het kamp van de Molukkers die terug willen keren. Eind 1959 heeft de vereniging “Gabungan Organisasi Suku Maluku” in Medemblik een strijdprogramma gepresenteerd waarbij haar leden terug willen naar Indonesië als volledige burgers en zij willen strijden voor de inlijving van West-Papoea (Algemeen Dagblad, Volkskrant). De organisatie zou ongeveer 1100 leden hebben, dat is iets meer dan 5 procent van de toenmalige Molukse bevolking in Nederland. In september 1960 biedt Indonesië aan dat men op kosten van de republiek terug kan komen om onder leiding van Soekarno te werken aan de wederopbouw van het land. De Usdek (waar drie verenigingen in zijn opgegaan waaronder Gabungan) reageert positief. De meeste leden van deze vereniging wonen in Medemblik en Arnhem en worden apart gehouden van de overige Molukkers die niet terugwillen zonder een vrije Molukse staat. In oktober vliegt S. Siwalette uit woonoord Medemblik op goed geluk naar Rome en ontmoet daar president Soekarno om over terugkeer te praten. Ook al zijn de verhoudingen tussen Indonesië en Nederland niet goed, men is in Nederland bereid de terugreis te betalen (De Tijd). En uiteindelijk betaald Nederland daadwerkelijk de kosten van de reis en de eerste twee maanden van verblijf. Op 11 mei vertrekt dan eindelijk de eerste groep via Genua. De groep bestaat uit 6 gezinnen en 1 alleenstaande uit Medemblik, in totaal 41 personen. De heer Siwalette reist niet mee met deze groep omdat hij er voor wil zorgen dat iedereen die wil terug kan keren naar Indonesië. In september weet men dat er in ieder geval 3 gezinnen doorgereisd zijn naar Ambon en dat een deel van de groep vrijwillig in Jakarta blijft. Ondanks de magere berichtgeving gaan de terugkeer reizen door en in februari 1962 zijn er in totaal ruim 600 Molukkers teruggekeerd. Het woonoord Medemblik is dan al enkele maanden opgeheven (september 1961).

De heer Siwalette met gezin in woonoord Medemblik (Beeldbank Nationaal Archief).

Als je na gaat dat de meeste Molukse bewoners van het woonoord terug zijn gekeerd naar Indonesië is het natuurlijk ook niet zo verwonderlijk dat er geen gedenkteken of herinneringsmonument is. Dit soort monumenten worden meestal gedragen door de betrokkenen. In de kranten wordt ook alleen bericht over de wens tot het teruggaan. Waarom zou je een gedenkteken inrichten voor een plek waar je alleen weg van wilt zijn.

Op de Loop verplaatst.

Het fijne aan een blog in plaats van een boek is dat mensen heel direct kunnen reageren. En gelukkig gebeurd dit ook veelvuldig. Je kunt op twee manieren reageren. Als je op een specifieke blog klikt kun je onderaan de pagina direct een openbare reactie geven. Soms moeten wij die goedkeuren, wat wij meestal doen, behalve als er persoonlijke adresgegevens of telefoonnummers in staan. Die gegevens halen wij eruit. Een andere manier is om via de knop ‘contact’ een bericht naar ons te sturen. Deze berichten zijn niet openbaar en die beantwoorden we per mail. De informatie uit deze berichten worden wel gebruikt in ons onderzoek en in deze blog.

Samen weten we meer dan alleen zo wordt de informatie op onze website steeds beter. Zoals ook na de post over woonoord Op de Loop. Bij het onderzoek naar dit woonoord was ik al opgelopen tegen allerlei moeilijkheden door gebrek aan informatie. Dan ga je af op wat je tegenkomt, zoals de naam De Loop op een kaart. Wij werden er echter op gewezen dat ik waarschijnlijk een foute inschatting heb gemaakt van de locatie. Herman Schonewille had in het verleden contact gehad met mevr A. Lasomer. Mevr. Lasomer had hem kunnen vertellen dat het woonoord achter de huidige Gamma lag. In de buurt van de Palmburgweg en de Trambaan. Natuurlijk zou ik meteen in de auto willen springen, maar Echt is echt ver van Rotterdam dus dat moet nog even wachten.

Lokatie van het woonoord Op de Loop boven de bocht in de weg naar aanleiding van de informatie van Mevr. Lasomer

Online is ook van alles te onderzoeken en nu ik beter wist waar te kijken, ben ik erover verbaasd dat ik dit niet eerder gezien heb. De reden hiervoor is waarschijnlijk dat op de kaart het kamp er uit ziet als wat schuren bij stenen huizen. De zwarte gebouwen zouden barakken zijn, hier kom ik later nog op terug. Mevr. Lasomer had daarnaast verteld wat voor gebouwen er hadden gestaan. Het ging om: een grote barak voor de gezinnen, een vrijgezellen barak, een barak voor de beheerder en de protestante kerk, een barak voor de kantine die ook dienst deed als katholieke kerk, en een centrale keuken. Opvallend is dat er voor zo’n klein kamp twee kerken waren. Vooral omdat de CAZ in Limburg in het begin vaak gezinnen verhuisden om te zorgen voor meer gelijkgezinde samenstelling van de kampen.

De plek in het huidige landschap wordt er niet beter op. Ik dacht dat de snelweg al iets treurigs had, maar als ik via Street view naar de locatie van het kamp kijk wordt ik niet echt blijer. Wat ik zie is een bedrijfspand of beter gezegd, de achterkant van een bedrijfspand.

Google streetview van de locatie van woonoord Op de Loop

Dan blijft er nog het mysterie van de kaart. Want als ik op de topografische kaart naar 1967 ga, twee jaar na de sluiting van het kamp, dan is daar opeens een helder afgebakende locatie met duidelijke barakkken. Op onderstaande afbeelding staat 1970, dit is de kaart die al in 1967 bestaat. Het kan zijn dat die late aanwezigheid van het woonoord komt door de vertraging bij het maken van de kaarten. Dat is een veel voorkomend probleem bij het gebruik van kaarten. Of gaat het hier (ook) om een later gebruik? Als het mogelijk wordt om meer archiefwerk te doen, wordt dit misschien nog duidelijk. Als U als lezer het antwoord weet horen we dat ook graag.

De Topografisch kaart uit 1967, het kamp Op de Loop is dan al twee jaar niet bewoond.

Verloren Banden: een belangrijk project

Op deze website geven we graag aandacht aan andere projecten die het Molukse Erfgoed onder de aandacht brengen. Hier wil ik het hebben over het project Verloren Banden van Jeftha Pattikawa. Ik las voor het eerst over het bestaan van de videobanden in 2018 terwijl ik informatie aan het zoeken was over de individuele woonoorden. Ik kwam bij een krantenartikel van het NRC uit 2015 waar Jeftha zijn verhaal doet. Het verhaal was weer een beetje op de achtergrond geraakt omdat toevallig andere woonoorden eerst bezocht werden. Maar de afgelopen tijd kwam het project twee keer langs via verschillende kanalen en daarom deze blog.

De banden die nu worden beheerd door het Gelders Archief; foto Jeftha Pattikawa.

De aandacht voor het Molukse erfgoed groeit in de afgelopen jaren en nu langzamerhand komt dit op allerlei plekken tot uiting. In december ontving ik de bundel Inward/Outward: Critical Archival Engagements with Sounds and Films of Coloniality. Dit is de neerslag van een tweedaags congres over archieven en hoe om te gaan met beeld en geluid betreffende de koloniale tijd. Aangezien ik werk als archivaris van Kunstinstituut Melly te Rotterdam dat op dat moment in het proces van een naamsverandering zat vanwege de oude koloniale naam en mijn onderzoek naar de Molukse woonoorden was ik naar het congres afgereisd. Niet wetende dat dit het laatste congres was dat ik zou bezoeken voordat de eerste lockdown inging. Op het congres had ik vanwege omstandigheden een deel van de lezing gemist en ik was dan ook blij dat het boekje kwam.

Het is een mooi verhaal dat Jeftha vertelt van, hoe hij via een foto in een familiealbum op een zolder terecht komt waar 300 videobanden liggen, gefilmd in Vaassen. Vanwege de vele economische, sociale en specifiek drugs-problemen in de Molukse gemeenschap van Vaassen was de stichting Waspada (alert zijn) opgericht, die jongeren kansen moest bieden om op het rechte pad te blijven. Waspada ontwikkelde allerlei activiteiten waaronder een videoclub; toen een gloednieuwe techniek. Bijna twintig jaar (1979-1995) zou de videoclub het dagelijks leven in Vaassen vastleggen. Een unieke verzameling niet alleen vanwege het Molukse perspectief, maar ook omdat er denk ik geen enkele wijk in Nederland is waar gewone dingen zo langdurig gefilmd zijn.

Wat meteen opvalt is dat het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, die het congres organiseerde de banden niet wilde hebben omdat zij al genoeg materiaal over de Molukkers in Nederland heeft. Er zal vast ook een kostenplaatje bij zijn komen kijken, want 300 banden goed opslaan is niet een simpele of goedkope klus. Maar toch, dit is uniek materiaal doordat het door de Molukse gemeenschap zelf is gemaakt. Je kunt je voorstellen dat daar materiaal in zit voor menig documentaire, maar ook illustratie materiaal voor kortere items in het nieuws en dergelijke. Vooral omdat het nu eens niet om de grote kampen Lunetten en Schattenberg gaat, maar om een relatief onbekend kamp en woonwijk in Vaassen.

Het verhaal loopt echter goed af want het Gelders Archief gaat de banden bewaren. Dit werd uitgelicht in de laatste editie van het tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, gratis down te loaden. Verloren Banden wordt samen met drie andere projecten uitgelicht vanwege de verbindende waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving. Het belang is dat de videobanden ook een andere kant van de Molukkers laten zien dan wat er meestal in de media verschijnt. De betrokkenheid van de gemeenschap komt ook aan bod waarbij, door middel van een wandeling, de videobanden symbolisch thuis werden gebracht.

Die betrokkenheid van de gemeenschap blijft bestaan omdat zij gaan helpen de metadata en omschrijvingen van de videobanden in het Gelders Archief te maken. Op deze manier blijft kennis vanuit de gemeenschap bewaard en wordt het openbaar toegankelijk. Voorheen werden archieven vooral vanuit de overheid gevuld en bevatte vooral gegevens die vanuit het belang van de overheid werden beschreven. De laatste jaren begint men zich steeds meer bewust te worden dat de archieven daardoor eenzijdig zijn. Als verschillende groepen gegevens kunnen toevoegen wordt hun erfgoed vanuit een eigen perspectief bewaard. Wat mij betreft is het project Verloren Banden een mooie verrijking van het Nederlands en Moluks erfgoed.

Tussen de huizen; woonoord Montfort

Woonoord Montfort is een klein kamp aan de Bosweg aan de noordoostkant van het dorp. Het kamp heeft een karakteristieke driehoekige vorm. Hoewel de meeste kampen in relatief lege gebieden zijn gebouwd lijkt het hier wel of de omgeving voor de vorm heeft gezorgd. Aan de lange zijden van het kamp was namelijk al bewoning die in een scherpe punt toeliep.

Op de topografische kaart uit 1936 is de bewoning al aanwezig, maar nog geen kamp.

Het vreemde is dat het woonoord pas in 1958 op de kaart verschijnt terwijl er in 1953 al een update was van de kaart uit 1936. En het kamp in 1946 is aangelegd voor de wederopbouw (DUW-kamp). De barakken waren uit Diever in Drente overgebracht en hergebruikt in Montfort. Het kamp is ook enige tijd gebruikt als vakantieoord voor kinderen die in de oorlog gewond waren geraakt. En daarna was het een douaneschool. Mogelijk werden het niet als permanente structuren beschouwd en verschenen ze daarom niet op de kaart. Het woonoord zou dertien jaar in gebruik blijven tot en met 1965. En de barakken werden pas twintig jaar na de aanleg in 1966 afgebroken.

Topografische kaart uit 1958 waar het kamp voor het eerst zichtbaar is.
Foto uit de tijd dat het woonoord nog als douaneschool fungeerde.

Van de kaart is duidelijk te zien dat het om een heel klein kamp gaat met de lange barakken voor de huisvestingen en de twee korte barakken aan de noordzijde voor de algemene voorzieningen. Uit de lijst van de Rijksbegroting over 1953 weten we dat op 1 december 1952 er 7 gezinnen met 43 personen in Montfort woonden. Dit waren Keiëzen. Het is een van de weinige kampen die zo dicht in de normale bebouwing is opgenomen. Het was misschien wel op enige afstand van de dorpskern, maar zeker niet zo’n ver verlaten gebied als andere kampen. De Molukse bewoners zaten letterlijk aan de rand van de achtertuinen van hun Limburgse buren.

Kinderen met vogelhuisjes in het woonoord Montfort, foto Moluks Historisch Museum: D0030.

De enige foto die ik kon vinden van het woonoord ten tijden van de Molukse bewoning doet vermoeden dat het er gezellig was. Het gebrek aan informatie uit andere bronnen zoals kranten lijkt er op te duiden dat er verder weinig spannends gebeurde. Er is alleen een bericht als het kamp gaat sluiten en de Molukse inwoners naar de Bomenbuurt (Eikstraat en Beukstraat) in Echt verhuizen, waaronder de familie Jejanan en Sarkol. Nu is het terrein een bouwput met een rijtje kleine woningen.

De locatie van het woonoord in december 2020.

Er is misschien niet veel te vinden over de bewoning van Montfort, maar het moet toch een indruk hebben achtergelaten bij de bewoners. In 2019 werdt de Tenggara Cup namelijk in Montfort georganiseerd. Dit evenement is een combinatie van voetbaltoernooi, sport, eten en cultuur georganiseerd voor de Nederlandse Zuidoost-Molukse gemeenschap. Eigenlijk een hele grote reünie. Die op steeds een andere locatie plaatsvindt. Een belangrijk aspect van de Tenggara Cup is dat het gevoel van verbondenheid wordt doorgegeven aan de vierde generatie kinderen.

Lilbosch, het andere woonoord in Echt.

In de vorige blog schreven we over het woonoord Op de Loop aan de west kant van Echt. Enkele kilometeres ten oosten van Echt lag nog een woonoord met een heel ander karakter; Lilbosch. In plaats van een barakkenkamp tussen de fabrieken ging het hier om een oud-internaat, het Sint Bernarduscollege, tussen de velden naast het klooster Lilbosch. Nu hebben we al vele soorten kampen bezocht; in woonwijken, weilanden, bossen, steden, klooster en kazernes, maar hier was toch iets wat ik niet eerder gezien had, een bunkerkapel. En het is precies zoals het klinkt een bunker met daarin een kapel. In de bunker is nog de ingang te zien van een onderaardse gang die leidde naar het woonoord.

De onderaardse gang die vanuit de bunkerkapel richting het woonoord leidt.

Deze tunnel en de bunkerkapel zijn restanten uit de Tweede Wereldoorlog, toen het internaat gebruikt werd voor kinderen verbonden aan Duitse scholen. De bunker diende niet als gevechtseenheid, maar als schuilkelder en de tunnel zorgde ervoor dat de kinderen uit het internaat veilig naar hun schuilplek konden. Het kapelletje dateert pas uit 2009 en is aangebracht na de vrijlegging van de bunker die onder puin begraven was.

Het college werd na de oorlog niet meer gebruikt voor scholing. Eerst werden er SS-ers en NSB-ers gedetineerd. Vervolgens kwamen er gastarbeiders voor de staatsmijnen uit Italië, Hongarije en Polen.

In maart 1951 worden in Lilbosch al voorbereidingen getroffen om 44 Molukse gezinnen op te vangen zodra die in Nederland aankomen. In 1952 gingen 28 gezinnen, die voor de eerste opvang in Lilbosch waren geplaatst, naar woonoord Oude Molen in Well. Wat er met de overige 16 gezinnen gebeurd is, of dat zij überhaupt wel in Lilbosch zijn geweest is niet duidelijk. Mevrouw Olga Talapessy verteld in Buun 14 (2012) dat zij als dertienjarige samen met 30 gezinnen aankwam in Lilbosch. Dit lijkt een beter getal. Zij vertelt ook dat zij een Christelijke achtergond hadden en het daarom een geschikte plek vonden. Volgens haar werden er veel activiteiten georganiseerd voor vrouwen. Zij wist minder wat de mannen deden. Er is verder weinig te vinden over de Molukse bewoning hier, maar dit komt misschien omdat dit van de relatieve korte duur is geweest van iets meer dan een jaar.

Van het Sint Bernarduscollege zelf is weinig over. In 1965 werd het getroffen door een brand die de bovenste verdieping vernietigde. Het pand werd nog wel hersteld en gebruikt door de de huidige stichting Pergamijn. Maar in 1994 is het pand vanwege de slechte staat afgebroken. Niet alles is echter verloren gegaan. De trappilaar is blijven staan en dient nu als herinneringsplek. De inscriptie op de pilaar luidt: Sint Bernardus college 1906-1942. De overige geschiedenis van het gebouw wordt niet vermeld. Het doet een beetje surrealistisch aan een enkele zuil met een achtergrond van bamboe in een netjes parkje.

Herdenkingspilaar in Lilbosch met inscriptie.

Historisch informatie over het internaat komt uit de publicatie van R.J.M. Rutten uit 2010.

Woonoord Op de Loop te Echt

Als er één woonoord moeilijk te onderzoeken is dan is het Op de Loop te Echt (de locatie is in een volgende blog aangepast). Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste is de kampnaam en de plaatsnaam onbruikbaar als zoekterm. Of je krijgt geen vondsten of je krijgt er hopeloos veel. Want het blijkt dat er veel mensen echt voor iets op de loop zijn. En dit in vele combinaties door hele teksten waar een keertje het woord echt, op, de, en loop in verschijnt. Het toevoegen van het woord Ambonees reduceert het aantal berichten niet noemenswaardig. Ten Tweede is er van het woonoord niets meer over vanwege de snelweg A2 die er dwars overheen is aangelegd. Je zou er als onderzoeker bijna moedeloos van worden.

De locatie van woonoord Op de Loop, Google Maps.

In totaal heb ik twee krantenartikelen kunnen vinden over Op de Loop. Het ene artikel uit oktober 1952 gaat over vechtpartijen van Keiëzen op de kermis in Echt. Natuurlijk was de aanleiding een meisje. Het andere artikel uit 1954 gaat over een tragisch ongeval waarbij een zes-jarig jongetje levensgevaarlijk gewond raakte bij het spelen op een kleitrammetje van de nabijgelegen dakpannenfabriek. Hoe het met hem is afgelopen werd niet vermeld.

Er gebeurde niet alleen vervelende dingen in Op de Loop zoals blijkt uit een oude foto uit 1959 die ik kon vinden via het Moluks Historisch Museum. Bewoners zitten in een carnavalswagen die een prauw lijkt voor te stellen. Een mooie vermenging van Molukse en lokale cultuur.

Bewoners van Op de Loop in een carnavalswagen MHM F97_7133.

Er is ook nog een groepsfoto te vinden van een communiefeest van Dina Teljoarubun en Ria Vink in 1953. Ria was de dochter van de beheerder.

Communifeest in Op de Loop MHM F 95.5269.

Dank zij deze foto zijn de namen van veel bewoners en vrienden bekend. Het bijschrift luidt namelijk:

Voorste rij
v.l.n.r.: Piet Vink, Emile Setitit, Clara Lasomer, Willie Vink, Albertina Teljoarubun,
Augustina Teljoarubun, Theo Vink, dhr. Selitubun, dhr. Renhungan, dhr.
Selitubun, dhr. Pius Heatubun, dhr. Djirlau. Tweede rij v.l.n.r.: dhr. Benny
Refualu, dhr. Jan Rahangmetan, dhr. Albert Kadmaerubun, dhr. Jaftoran,
beheerder Vink, mevr. Vink, de communicantjes Ria Vink en Sukandina (Dina)
Teljoarubun, twee onbekende Nederlandse mannen, mevr. Tien Sarkol,
onbekende Nederlandse man, mevr. Teljoarubun, mevr. Liesbeth Teniwut, dhr.
Kerubun, dhr. Jamlean, dhr. Jo Rejaan, dhr. Foe, dhr. Jacob Ngamelubun, dhr.
Kurmasela, dhr. Bennie Ohoiwirin. Achterste rij v.l.n.r.: dhr. Watty, dhr. Tanlain,
dhr. Teniwut, onbekend Nederlands echtpaar, dhr. Herman Ngoranubun, dhr.
Frans Jaftoran met zoontje Don, dhr. Teljoarubun, dhr. Marius Farneubun, dhr.
Paul Ferneubun, dhr. Gerrits, dhr. Albert Rahantoknam, dhr. Kewilaa, dhr.
Kelwulan, dhr. George Sedubun, dhr. Unawekla, mevr. Gerrits.

Topografische kaart uit 1959 met de locatie van Op de Loop.

De topografische kaart uit 1959 laat vermoedelijk de plattegrond van het kamp zien direct onder het woord Pannenbakkerij. Het kamp heeft een ongebruikelijke lay out van twee naast elkaar gelegen u-vormen, elk bestaande uit drie barakken en een klein bijgebouwtje. Het kamp was bewoond van 1952 tot en met 1965. Daarna gingen de 10 tot 15 gezinnen verspreid wonen in de bomenbuurt van Echt. Later zouden hier ook bewoners uit het woonoord Montfort bijkomen.

Blik op de locatie van woonoord Op de Loop onder de snelweg.

Zo zie je maar weer dat ondanks de moeilijkheden er toch nog kleine brokjes informatie gevonden kunnen worden. En natuurlijk zullen de oud-bewoners nog vele verhalen kunnen vertellen. Dertien jaar woonoord is een hele kindertijd.

Geleen Graetheide, hoe een naam kan misleiden.

Op een regenachtige dag reden we terug vanuit Zuid-Limburg en deden we onderweg nog enkele woonoorden aan. Het eerste woonoord was Graetheide. Bij die naam had ik me altijd een afgelegen kamp in de vrije natuur voorgesteld. Het duurde inderdaad even voordat we er waren, maar dat was vooral omdat we een verkeerde afslag hadden genomen, iets wat ons zelden overkomt. We waren meteen op een omweg van 10 kilometer aanbeland. Toen we dan eindelijk de plek van Graetheide opdraaide was het uitzicht verre van natuurlijk. We stonden geparkeerd op een groot chemisch industrieterrein beter bekend als Chemelot.

Blik op de locatie van het woonoord Graetheide.

Graetheide was een groot kamp met 25 barakken van hout en steen. Het was eerder gebruikt als onderkomen voor collaborateurs in de Tweede Wereldoorlog. Daarna woonden er de Oost-Europese en Spaanse werknemers van de staatsmijnen. In maart 1951 kwamen 151 Molukse bewoners naar Graetheide. Zij zouden daar tot 1963 blijven wonen.

In augustus 1951 wil men een groep Kei-ezen naar Graetheide verhuizen omdat zij bedreigd worden in Lunetten. In het eerste plan gaat het om de katholieke Kei-ezen, maar omdat men niet het kleine aantal protestanten wil achterlaten verhuizen ook zij (de Tijd). In oktober worden de Kei-ezen verplaatst naar Mill in ruil voor Amboneze gezinnen (Limburgsch Dagblad). Dit naar aanleiding van een mogelijke relatie tussen een Kei-eze jongen en Ambonees meisje, waardoor men problemen verwachtte. Enkele Kei-ezen uit Mill wilde mee met de Ambonezen waar zij altijd goed mee hadden samengewoond. Zij vonden het onterecht om gescheiden te worden vanwege oude problemen in Lunetten (Asser Courant, Twentsch Dagblad, Volkskrant). Opmerkelijk is dat de stichting “Door de Eeuwen Trouw” een telegram stuurt naar de regering waarin zij aangeeft het niet eens te zijn met de politiek van gedwongen verhuizingen. Zij zien dit als intimidatie van de kampbewoners met tot doel hun murw te maken.

Graetheide is al snel een kamp met vele kanten. Enkele mannen van Graetheide vinden snel werk, maar stoppen zodra zij 60% van hun loon moeten inleveren. Daarnaast zijn er veel activiteiten die binnen en buiten het woonoord plaatsvinden: voetbal, dansavonden, kerstviering voor kinderen met kado’s van het rode kruis, een lokaal jubileum van vroedvrouw Lambermon-Vossen meevieren door middel van een bloemstuk, en deelname aan de Brunssumse kunstweken. Dit zijn alleen de activiteiten die de krant haalden dus men kan er vanuit gaan dat er veel meer gebeurde. Opvallend is dat veel activiteiten buiten het kamp plaatsvinden en betrekking hebben op uitwisselingen met de lokale bevolking via sport en muziek. Ook al zal het weinige verbazen dat sport en muziek hoog op de activiteitenlijst van de bewoners van Graetheide stond.

In 1957 wordt door de Republiek der Zuid-Molukken een memorandum opgesteld waarbij onder meer beklag wordt gedaan over de soms erbarmelijke omstandigheden in de woonoorden Graetheide wordt hierin samen met Lunetten en Elzenpas specifiek genoemd vanwege de grote aantallen bewoners en slechte sanitaire voorzieningen (Arnemsche Courant). In Graetheide moeten 6 tot 8 gezinnen 3 toiletten delen. In juni van het volgende jaar stelt kamerlid Stufkens hier zelfs vragen over aan de Minister Klompé van Maatschappelijk Werk (Limburgsch Dagblad, De Maasbode, Het Parool). Het woonoord is overbevolkt, maar mensen willen ook niet graag verhuizen, want dat betekend gescheiden te worden van hun gemeenschap. Het is ook duidelijk dat gemeenten niet graag nieuwe woonoorden binnen hun grenzen hebben. Het is duidelijk dat er op de bewoners wordt neergekeken, volgens het Parool meer vanwege het feit dat ze in kampen wonen dan vanwege hun kleur. Het een lijkt echter met het ander verbonden te zijn als we de discriminerende houding van de autoriteiten bekijken bij het opzetten van de opvang. Ondanks deze problemen zullen een deel van de bewoners nog tot 26 maart 1963 in Graetheide verblijven. De meeste bewoners verhuisden vrijwillig naar de Potterstraat en Borrekuil in Geleen, ongeveer 20 gezinnen werden echter onder dwang verhuisd waarvan een deel naar Farnsum, Doesburg, Souburg en Appingedam omdat zij niet naar een woonwijk wilden. Het betrekken van een huis betekende namelijk het opgeven van het ideaal om naar de Molukken terug te keren.

De locatie van het woonoord op de huidige kaart.

Rijckholt in de Zuid-Limburgse heuvels.

Inleiding

Als student archeologie was ik al eens in Rijckholt geweest. Tijdens de Nederland excursie, waarbij we in een week de belangrijkste vindplaatsen bezochten, konden de vuursteenmijnen uit de prehistorie niet ontbreken. Dat ik ruim 25 jaar later terug zou keren naar Rijckholt voor onderzoek naar hedendaagse archeologie had ik toen niet kunnen bedenken. Van de Molukse woonoorden had ik nog niet gehoord en hedendaagse archeologie bestond niet in Nederland als onderzoeksgebied. In de zomer van 2019 had Servaas Maturbongs ons via deze website al gewezen op woonoorden in kloosters en de aanwezigheid van een herdenkingsplaat in Rijckholt. Na het parkeren van onze auto was meteen duidelijk dat we op de juiste plek waren. In de achteruitkijkspiegel zag ik de herdenkingsplaat al zitten.

De marmeren herdenkingsplaat in 2016 aangebracht.

Het klooster

(historische informatie uit Grueles jg 25 nr 4)

Het klooster is nu een kerk en een Bed en Breakfast waar wij de nacht zouden doorbrengen. William, de eigenaar van de B&B en het nabijgelegen cafe Riekelt, wist ons te vertellen dat het deel waar de Molukse gezinnen gewoond hadden is afgebroken. Het was nadat de Molukse bewoners waren vertrokken helemaal verwaarloosd en de begroeiing kwam door het dak. De kamer waarin wij verbleven leek waarschijnlijk wel op de kamers die toen in gebruik waren wat betreft sfeer van dikke muren met twee ramen en een deur die uitkomt op een lange gang die over de binnenplaats uitkijkt. Wij vonden het er erg koud, terwijl de verwarming aanstond. William vertelde dat ze de verwarming niet te hoog zetten omdat gasten daarover geklaagd hadden. Zo zie je maar weer, nooit is iedereen tevreden. De paters waren in ieder geval blij met de komst van de Molukse bewoners omdat dit betekende dat de voorzieningen onderhouden konden worden. Sinds het vertrek van de Franse Dominicanen in 1932 waren er slechts vier paters overgebleven en werd het klooster deels verhuurd om in het onderhoud te voorzien, zoals aan scheepskinderen en Nederlandse KNIL-militairen en hun gezinnen.

Foto van het klooster met de paters het rechter deel van het klooster op de foto is afgebroken.

Op 11 November 1952 arriveerde 35 gezinnen (136 personen) die verspreid over 56 kamers woonden. Sommige gezinnen kwamen uit kamp Beugelen bij Staphorst. Het lijkt alsof er een goede sfeer hing in het woonoord. Waarbij de grotere kinderen naar scholen in de omliggende plaatsen gingen, de vrouwen verschillende cursussen deden en de mannen veelal werkte bij Sphinx of de Zinkwit. Anders dan in andere woonoorden lijken de meeste mannen snel werk te hebben gevonden. In de jaren werden er 98 kinderen geboren meestal met de hulp van vroedvrouw Christina Titihalawa nu en dan bijgestaan door de lokale dokters. Gelukkig wordt er weinig kindersterfte in het woonoord vermeld. Een trieste uitzondering is Bernardus Maturbongs, die op 10-jarige leeftijd in 1960 verdronk in de Maas. Zijn verzorgde graf ligt voor altijd tegen de muur van het klooster.

Er was een centrale keuken in de achtertuin waar in het begin nog Nederlandse maaltijden werden gekookt. Later gingen de vrouwen zelf koken in deze keuken en had men in de eigen kamer een petroleumstel voor thee en (baby)pap. De vrouwen gingen op vrijdag vaak zelf met de bus naar de markt in Maastricht voor verse groente, fruit en vis, vooral makreel. Die voorkeur voor makreel kan ik me ook nog uit verhalen over andere woonoorden herinneren. De lokale bevolking die in het klooster langskwam konden dat andere eten en de gastvrijheid wel waarderen. En volgens mij werden bezorgingen dan ook het liefst rond etenstijd gedaan.

De muur links is van het klooster. De nieuwe huizen staan op de plek waar de vleugel was met Molukse bewoning.

Conclusie

Volgens het tijdschrift Diakonia worden er in 1966 in Sittard 33 woningen gebouwd voor de laatste gezinnen die nog in het klooster wonen. De woningen bevatten een grote woonkamer met zit- en eethoek, een keuken plus wasruimte met lavet, verder vier slaapkamers en een vliering. De woningen worden opgetrokken in baksteen. Er wordt ook een kerk gebouwd die plaats zal bieden aan 72 personen, met een toren van gewapend beton. Op de begane grond van het hiernaast geprojecteerde jeugdcentrum komen een consistoriekamer, een kamer voor de dominee, een garderobe en sanitaire voorzieningen; op de verdieping komt het jeugdlokaal. In Rijckholt was er een goede verstandhouding met de lokale bevolking, waarbij contacten stand hielden ook na verhuizingen. En volgens William kwamen nog regelmatig oud-bewoners terug om een kijkje te nemen op de plaats waar ze gewoond hadden. Het is dan ook een mooie locatie die sowieso het bezoeken waard is.

Blik in de huidige B&B kamer met karakteristieke ramen en dikke muren die vergelijkbaar zijn met de kamers waar de molukse bewoners in zaten.

Koudekerke: zoek de verschillen

Enkele weken geleden schreef Jobbe een blog over onze presentatie op de Reuvensdagen (een congres voor Nederlandse archeologie). Wij benadrukten de urgentie van het onderzoek naar Molukse woonoorden, omdat de overblijfselen voor onze ogen verdwijnen. Nu was ik toevallig van de week op google earth aan het kijken omdat we wilden uitproberen hoe je een interactieve map kunt maken met je eigen locaties. En dan ga je naar de plaatsen die je het makkelijkst herkent omdat er nog duidelijke sporen zijn. Dus hup naar Koudekerke op de kaart. Tot mijn verbazing zag ik onderstaande.

Boven Koudekerke zoals het was toen we het bezochten, beneden Koudekerke nu.

De barak rechtsboven is met de grond gelijkgemaakt. Gelukkig waren we bij ons eerste veldwerk al in Koudekerke geweest. Toen sprak degene die ons rondleidde nog van renovatie en dachten wij dat, net als bij de andere barakken, de bestaande structuur zou blijven bestaan. Er is duidelijk gekozen voor een meer rigoreuze aanpak. We kunnen natuurlijk boos naar de eigenaar kijken, maar dat is niet eerlijk. Zij hebben de gebouwen al jaren in bezit en hebben het recht om te moderniseren. Zolang de overblijfselen van woonoorden geen status krijgen, kan de eigenaar er mee doen wat hij of zij wilt.

Ik denk niet dat we alles moeten willen bewaren, want we moeten nu ook leven. Maar het zou goed zijn als er in ieder geval een plicht tot documentatie komt. Het hoeft hier niet om dure opgravingen te gaan, een bouwhistorisch onderzoek is vaak genoeg. De resten kunnen fotografisch vastgelegd worden. De geschiedenis van de woonoorden is fragmentarisch vastgelegd en beschreven. Er komen steeds meer boeken uit met de herinneringen of fictieve verhalen over de Molukse woonoorden. De fysieke overblijfselen krijgen minder aandacht. Terwijl het juist nu lijkt dat er een hernieuwde belangstelling is voor deze geschiedenis. Volgend jaar is het zeventig jaar geleden dat de eerste Molukse woonoorden bewoond werden. Het is dan ook zonde als de laatste tastbare stukjes zonder documentatie zomaar verdwijnen.

Het meest zuidelijke kamp Eijsden Capucijnenklooster.

Inleiding

De dag voor de harde lockdown gingen wij naar zuid Limburg. De reis was al langer gepland en we hadden nu vrije dagen. We verbleven in Rijckholt (daar een volgende keer meer over) en wandelden op een zeer aangename middag naar Eijsden. De omgeving is een rare mix van natuurschoon, industrie, en snelweg. Via de Capucijnenstraat kwamen we Eijsden binnen en liepen we naar de straat die nu Bellefleur heet.

De straat Bellefleur met om de hoek de straat Loenen waar vroeger het Capucijnenklooster stond.

De plek van het klooster

Op deze plek stond vroeger het klooster, dat ongeveer in de achtertuinen zal hebben gelegen. De geschiedenis van het klooster en haar verbouwingen is lang en omvat een kasteel als voorloper. De plek moet echter niet verward worden met Huis Breust wat meer ten westen lag. Eind negentiende eeuw werd het gebouw een Capucijnenklooster. In april 1951 kwamen de Molukse bewoners in het klooster wonen. Terwijl zij daar zaten werd het klooster in 1955 overgenomen door het missiehuis Mariannhill zij zouden het grote gebouw niet gebruiken. De Molukse bewoners zouden er echter tot 1962 blijven wonen. Waarna in 1968 het gebouw werd verkocht en later gesloopt. Het enige fysieke overblijfsel van het klooster is een muurkruis dat enkele jaren geleden werd gerestaureerd en op de Loenen is neergezet, recht tegenover de locatie van het oude klooster.

Het muurkruis van het Capucijnenklooster geplaatst aan de Loenen.

Het kruis verwijst alleen naar de kerkelijke historie. Er is geen herdenkingsplaat of tekst voor de Molukse bewoning.

In verschillende bronnen is wel iets te vinden over de Molukse bewoners. Opvallend is hoe vaak Eijsden genoemd wordt voor hulpacties in het Gereformeerd Gezinsblad. Naast kleren en speelgoed wordt er ook geld ingezameld voor bijbels (sommige in Maleis) en andere godsdienstige literatuur en later zelfs muziekinstrumenten. Er is ook een uitwisseling tussen de mensen in het woonoord en de protestantse gemeente in Maastricht, waarbij men elkaar bezoekt. Sowieso gaat de berichtgeving vooral over de interacties met de lokale gemeenschap. Zo zijn de Molukse bewoners aanwezig bij herdenkingen in het dorp en helpt men bij de fruitpluk.

Die goede berichten lijken over een te komen met de herinneringen van mevrouw Hennie Nikijuluw die in een interview voor Zicht op Maastricht aangeeft dat schoolkinderen en vrienden van buiten graag naar het klooster komen om te spelen. Ook had men wat meer ruimte. De familie van mevr. Nikijuluw had in het klooster drie slaapkamers, een zitkamer en een keukentje. Men had in het begin eten gekregen via de centrale keuken in het klooster, maar kookte later zelf. De kinderen werden met de bus naar de Suringarschool gebracht net als de kinderen uit Rijckholt.

In 1962 verlaten de Molukse bewoners het klooster en gaan verspreid over Zuid-Limburg wonen. Vaak in speciaal daarvoor aangelegde straten. Enkele gezinnen gingen in ieder geval in de wijk Heer in Maastricht wonen.

Conclusie

Het contrast tussen dit woonoord in Eijsden en het vorige onderzochte woonoord Oude Zeug kan niet veel groter zijn. Dit laat zien dat er niet één verhaal te vertellen is over de Molukse woonoorden. Elk verhaal voegt iets toe aan ons beeld. Zo vlak voor de lockdown op een mooie decembermiddag was het in ieder geval een plezier om naar Eijsden te komen, ook al is het woonoord verdwenen.