De barak in het Nederlands Openlucht Museum te Arnhem

Al heel lang had ik de wens om naar het openluchtmuseum in Arnhem te gaan. Ik was altijd al nieuwsgierig naar het museum op zich en aangezien daar een Molukse barak staat, kon een bezoek niet uitblijven. Dat het er echt van moest komen werd alleen maar duidelijker nadat we in Lage Mierde waren geweest waar de barak oorspronkelijk vandaan komt. We waren aan het kamperen in de buurt en hadden niet veel tijd in het museum dus liepen we rechtstreeks naar de barak. De rest zou later wel komen.

De Molukse barak uit Lage Mierde in het Nederlands Openlucht Museum.
De Molukse barak uit Lage Mierde in het Nederlands Openlucht Museum.

Tussen alle met riet bedekte boerderijen springt de barak er uit. Strak in de lak alsof de barak net nieuw is. Dit doet meteen een beetje af aan de sfeer, terwijl de boerderijen waar we langs liepen nog een rommelige indruk maken, lijken we hier wel in een aangeharkt parkje te stappen. Een zonnige opgeruimde plek met bloemetjes rondom. Ik kan de verhalen in mijn hoofd van tochtige slecht onderhouden barakken in de woonoorden niet goed rijmen met de glimmende barak waar ik naar sta te kijken.

De stapelpannen (rantang) waarmee men het eten uit de centrale keukens haalde in het woonoord.
De stapelpannen (rantang) waarmee men het eten uit de centrale keukens haalde in het woonoord.

Bij de ingang stonden enkele rantangs waar men in de woonoorden het eten voor de familie ophaalde uit de centrale keuken. Als je de barak instap sta je ook gelijk in die centrale keuken. Deze is ingericht met kasten en planken waarop de potten en pannen staan. Daarnaast staan er twee grote fornuizen. De barak is zo ingedeeld dat de bezoeker eigenlijk meteen uit de keuken geleid wordt naar een halletje waar een pop staat schoon te maken. Wat voor ruimte dit is, is niet echt duidelijk al heb je het idee dat het een douche of wc ruimte is. De plattegrond geeft geen uitsluitsel over de drie deuren die er zijn en blijkbaar nergens naar leiden. Het is ons eerste museumbezoek sinds corona en in de smalle gangetjes zijn veel bezoekers waardoor ik niet de neiging heb om lang te blijven staan. Vervolgens komen we bij de ruimte waar een Molukse woonruimte is nagemaakt.

De wooneenheid voor een Moluks gezin.
De wooneenheid voor een Moluks gezin.

Deze is vrij groot omdat er geen onderverdeling is gemaakt en deze daarom over de gehele breedte van de barak loopt. De deur naar buiten geeft de indruk dat iedereen een losse woonruimte had in plaats van kamers langs een centrale hal, zoals in veel barakken. Ook het ontbreken van een gezin met 6 kinderen geeft de ruimte iets kaals en afstandelijks. Naast de ruimte worden wel scenes nagespeeld door een Molukse toneelgroep (waarvan ik de naam jammer genoeg niet genoteerd heb) zodat je je voor kunt stellen hoe het was. Dit geeft het iets meer levendigheid, maar de schermpjes zijn klein en zwart wit. Het verbaasd me dat ze geen origineel beeldmateriaal hebben gebruikt. Dat moet toch te vinden zijn als je denkt aan een project als ‘Verloren Banden‘. We liepen door naar een klein filmzaaltje waar het verhaal van de treinkaping uit de doeken werd gedaan. Het was mij opgevallen dat het bordje bij de ingang hier ook al een opmerking over heeft. Nu is de treinkaping onderdeel van de Molukse geschiedenis en in dit blog schrijven wij daar ook over, maar ik vond het hier de aandacht wegnemen van de woonoorden zelf. Er is al niet veel ruimte om het Molukse verhaal te vertellen en ik vind dat terwijl we in een barak uit een woonoord staan dat verhaal eigenlijk niet goed naar voren komt.

We lopen verder terug door de keuken. Een vrouw zit sambal te maken in een vijzel, maar ook hier is het druk dus we lopen snel door. Aan de zijkant van een gangetje is een kelder met voorraad. Dat had ik niet gedacht, dat er kelders in de centrale barakken waren. Zo leer je toch nog wat. Het laatste deel is de beheerderswoning met het kantoor. Hier heet een sprekende pop, die de vrouw van de beheerder voorstelt, ons welkom. Het is een nette kamer, en het ziet er uit als een kamer van de middenklasse. Even later staan we weer buiten en lopen om de barak heen.

De Molukse barak met het naambord van kamp Lage Mierde.
De Molukse barak met het naambord van kamp Lage Mierde.

Zoals wel blijkt uit de tekst was ik een beetje teleurgesteld. De barak is te netjes en goed onderhouden. Daarnaast is de indeling zo anders dan ik opgemaakt heb uit de teksten die ik gelezen heb. Een collega die weet dat ik onderzoek doe naar de Molukse woonoorden en toevallig ook net het museum had bezocht, vroeg aan mij of de beheerder altijd in dezelfde barak als de Molukse bewoners gehuisvest was en dat de grootte van de Molukse woonruimte haar meeviel. Het publiek krijgt dus een verkeerde indruk van hoe het was. Daarnaast vind ik de nadruk op de treinkaping niet gepast. Men mist hier de kans om het onbekende verhaal van de woonoorden meer naar voren te brengen. Het is goed dat ik het gezien heb, maar ik had op een betere ervaring gehoopt.

Woonoord Onderlangs te Arnhem

Over sommige woonoorden is meer te vinden dan anderen. Onderlangs is er zo één waar je weinig van vindt. Online zoeken op het woord Onderlangs is bijna onmogelijk omdat er veel onderlangs gaat in het heuvelige Arnhem. Het kamp is ook maar kort in gebruik geweest voor Molukse bewoning. Tussen mei en september 1955 woonden hier vrijgezellen mannen. De lokatie is echter duidelijk omdat er wel foto’s zijn van het kamp. Herman Schonewille had mij er enkele gestuurd. De onderstaande foto is uit 1947 en laat het kamp goed zien.

Het kamp onderlangs in 1947 (foto via Herman Schonewille).
Het kamp onderlangs in 1947 (foto via Herman Schonewille).

Het gebouw rechtsboven staat er nog steeds, tijdens de Tweede Wereldoorlog zat daar de gevreesde Sicherheits Dienst. De bomen zijn echter flink gegroeid en alleen het puntje van de karakteristieke gevel is te zien. Het kamp heeft gediend als werkkamp van de DUW, voor gerepatrieerde mensen uit voormalig Nederlands Indië en Italiaanse gastarbeiders. In onze vorige blog over kamp Voorst, maakte we melding van studenten die daar woonde. Sommige van hen studeerden op de kunstacademie van Arnhem (toen op een andere lokatie) maar blijkbaar werd het kamp Onderlangs niet geschikt geacht voor deze studenten. Misschien dacht men dat de nabijheid van gezinnen hun beter zou helpen bij het houden van een geordend leven.

De lokatie van woonoord Onderlangs, nu kunstacademieArtez, met deels ondergrondse gebouwen
De lokatie van woonoord Onderlangs, nu kunstacademieArtez, met deels ondergrondse gebouwen

Wat de plek bijzonder maakt in Nederland is dat het onderaan een stuwwal ligt met de rivier de Rijn aan de andere kant. Het is de overgang van het ‘vlakke’ land naar de heuvels van de Veluwe. Op de lokatie van het woonoord staan nu de nieuwe gebouwen van de kunstacademie Artez die deels ondergronds gebouwd zijn. Zo zie je maar weer soms is de lokatie van een woonoord heel duidelijk ook al zijn er verder geen archeologische sporen, maar ontbreekt het aan aanvullende gegevens over het dagelijks leven in het kamp. Nu maar hopen dat de lezers van alles te vertellen hebben.

Er is al een eerste aanvulling gekomen door mevrouw Ellen Hitipeuw-Palyama. Zij heeft zelf als kind in Onderlangs gewoond met haar familie. Naast vrijgezellen woonden hier dus ook families.

Een Kamp in camouflage, Voorst te Teuge.

Inleiding

Na enkele weken pauze in de blog zijn we weer terug. In deze weken is er wel van alles gedaan en zijn er verschillende kampen in Gelderland bezocht. Nu is het weer tijd om verslag te doen. Kamp Voorst is een uniek kamp wat betreft huisvesting. De bebouwing lijkt op rustieke boerderijen, maar zijn eigenlijk bunkers uit de Tweede Wereldoorlog. We konden jammer genoeg het terrein niet betreden. Een bordje met de naam Ambonstraat is nog een herinnering uit de tijd van het woonoord.

Het gebouw dat op een boerderij lijkt met de kantine en het ketelhuis in kamp Voorts te Teuge.
Het gebouw dat op een boerderij lijkt met de kantine en het ketelhuis in kamp Voorts te Teuge.

Het kamp

In 2003 verscheen er in de Kroniek van de Oudheidkundige Kring Voorst een artikel over de Molukse bewoning geschreven door H. Kleinjan, waarop een deel van dit artikel is gebaseerd. Op 10 mei 1951 kwamen er ongeveer 400 Molukkers aan in Teuge. Een deel van het complex was nog in gebruik door het Nederlandse leger, waardoor er nog de bekende sfeer van een kazerne hing. Het was dan ook een ordelijk kamp. Het kamp lag aan twee kanten van de Rijksstraatweg. De bewoning was aan de kant van de bunkerboerderijen er waren 11 barakken die om en nabij een voetbalveldje lagen. Aan de overkant langs de Fokkerstraat lagen het schooltje, de centrale keuken, de kliniek en in 1958 werd hier ook een kerk gebouwd. In de eerste jaren werden de kerkdiensten in het schooltje gehouden. De kerk was niet aangesloten op de verwarming en had enkele potkacheltjes. Langs de Fokkerstraat was nu een bouwterrein voor enkele huizen. De weg zal destijds minder druk zijn geweest, want nu moest je flink oppassen bij het oversteken. De paden op het kamp waren verhard en omringt door bomen. Er was sowieso veel groen in het kamp met struiken en fruitbomen, waarschijnlijk camouflage om de militaire activiteiten te verhullen.

Een bijeenkomst in het kamp Voorst. Achter de mevrouw rechts is duidelijk te zien hoe dik de muren van de hoofdgebouwen waren die als bunker ontworpen waren.
Een bijeenkomst in het kamp Voorst. Achter de mevrouw rechts is duidelijk te zien hoe dik de muren van de hoofdgebouwen waren die als bunker ontworpen waren (MHM F95-5078).

De barakken hadden twee verdiepingen en om iedereen te huisvesten werden ook delen van de tweede verdieping gebruikt. Deze waren echter niet geïsoleerd en daarom zeer koud s’winters. De meeste barakken hadden ingangen in de korte zijde en dan een lange gang met kamers aan weerszijde waar de gezinnen woonden. De kamers waren klein en hadden vaak dunne scheidingswandjes. In sommige barakken had men eigen toiletten, maar gewoonlijk ging het om gedeelde toiletten. De gemeenschappelijke wasruimte had alleen koud water. Er was een badgebouw met warm water, maar dat was alleen op donderdag en vrijdag open. Er was aan de buitenkant van dit gebouw wel een kraantje waar men warm water kon tappen. In het kamp was een centrale verwarming die vanuit het ketelhuis via ondergrondse buizen de rest van het kamp verwarmde. De beheerder woonde in een ruime woning met meerdere slaapkamers, warm water en een terras. Alles in het kamp werd door het Commissariaat AmbonezenZorg georganiseerd; wat er werd gegeten, wie er mocht werken of een cursus volgen, waar men kleren mocht kopen door middel van bonnen etc. en dit werd van alle bewoners bijgehouden. Er was dus grote controle waarbij veel dingen voor de Molukse bewoners bepaald werd. Men kreeg wel toestemming om kleine tuintjes aan te leggen om groente te verbouwen en kippen te houden.

Het straat bordje Ambonstraat bij de ingang van het kamp. De enige directe herinnering aan de Molukse bewoning.
Het straat bordje Ambonstraat bij de ingang van het kamp. De enige directe herinnering aan de Molukse bewoning.

Er werd veel gesport op het voetbalveldje en al snel ging men voetballen bij SC Teuge. Omdat men geen geld had, hoefde men geen contributie te betalen en deelde men schoenen die door het CAZ ter beschikking werden gesteld. In het eerste jaar dat de Molukse bewoners meevoetbalde werd SC Teuge meteen kampioen dat leidde tot verbroedering met de lokale bevolking. Daarnaast werd er veel kien gespeeld in het kamp met zelfgemaakte kaarten en steentjes of hoopjes zand om de nummers te bedekken. De nummers werden op muzikale en humoristische wijze afgeroepen wat voor veel hilariteit zorgde. De kinderen werden streng opgevoed met een militair karakter. Daarnaast hadden ze echter ook veel vrijheid en een groot terrein om te spelen. Ook al mocht het eigenlijk niet toch ging de kinderen vaak buiten het kamp de omgeving verkennen. Vanaf de derde klas lagere school ging men voor school naar Teuge waar men naar een openbare of christelijke school kon. De meeste kinderen gingen naar de christelijke school. De meeste kinderen kregen laag advies voor de middelbare school waarbij de meeste naar de huishoudschool of de Lagere Technische School gingen. De jongens eindigde veelal in de metaalindustrie en de meisjes werden ponstypisten bij de belastingdienst of Philips. Sommige lukte het echter om een hogere opleiding te voltooien en er woonde zelfs 11 studenten uit andere kampen die in de omgeving studeerden.

Het kamp bleef tot de begin jaren zeventig bewoond en de bewoners hadden gehoopt in Teuge te kunnen blijven. De meeste zouden echter naar Twello verhuizen. De bunkerboerderijen worden nu bewoond door de stichting Earth Awareness.

Woonoord op de grens: St Joseph te Glanerbrug.

Twee weken geleden reden wij naar de oostgrens voor het woonoord wat het meeste aan de rand van Nederland ligt: St Joseph te Glanerbrug. Het ligt niet het meest oostelijke dat is voorbehouden aan kamp Carel Coenraadpolder te Groningen dat ook nog eens het meest noordelijk ligt. De hoofdweg naar het woonoord St Joseph was opgebroken zodat we via een doolhof van kleine weggetjes achter bij het kamp belandden. Van het kamp is niets meer over. Enkele jaren geleden is het klooster volledig afgebroken. Nu ligt er een park met een vijver vol vis.

De lokatie van het woonoord St. Joseph te Glanerbrug. De bomen rechts staan op de grens met Duitsland.
De lokatie van het woonoord St. Joseph te Glanerbrug. De bomen rechts staan op de grens met Duitsland.

Het woonoord bestond uit het retraitehuis van een Redemptoristenklooster dat de laatste jaren dienst had gedaan als bejaardentehuis. 21 of 22 april 1951 kwamen er 66 Molukse gezinnen (300 personen) die met de Castel Bianco naar Nederland waren gebracht. Volgens het Twentsch Dagblad wordt voor hun komst door zeven lokale vrouwen het drie verdiepingen tellende gebouw schoongemaakt omdat het verwaarloosd was. Er wordt gesteld dat de vrouwen extra hard werkte omdat zij begrepen dat de nieuwe bewoners verdreven waren uit hun vaderland. Elk gezin krijgt een kamer met biezenmatten, gezellige gordijnen, simpel meubilair en een kamerscherm. Per verdieping zijn er vier douches en ‘genoeg’ toiletten, daarnaast is er een kliniek en kraamkamer. Kokkie Soplamit verzorgt de maaltijden waarbij er twee keer per week Nederlands wordt gegeten. De heer Bouwer wordt beheerder en komt er ook met zijn gezin te wonen. Vanwege hun protestantse achtergrond wordt verwacht dat de Molukkers makkelijk in de gemeenschap zullen aarden. Een week na hun aankomst is het koninginnedag en komt het de Enschedese politie muziekvereniging speciaal naar Glanerbrug om voor de Molukse bewoners te spelen vanwege hun trouw aan de koningin. In de avond was er een feestavond bij de christelijke Oranjevereniging waar een groot aantal Molukkers welkom werd geheten. Begin mei zouden de bewoners van St Joseph echter geïsoleerd worden van de overige bevolking omdat er bij een kind paratyphus was ontdekt en enkele mogelijk besmet waren. Dit zou echter niet lang duren en al snel werd er gevoetbald met de marechaussee en werden er muziekavonden en cabaretavonden georganiseerd. De kinderen kregen na enkele weken les binnen het woonoord. Volgens het gereformeerd gezinsblad werd deze gemoedelijkheid tussen de lokale gereformeerde en de Molukse bewoners echter van hogerhand tegengewerkt en in juni mocht men van hogerhand niet samen zingen. De schrijver van het stuk is het hier duidelijk niet mee eens en het blijkt ook niet stand te houden. Ds Vogel blijft diensten met Molukkers houden. De niet-christelijke uitwisselingen gaan ook door met dans en zang op vele feestelijke gelegenheden.

Molukse bewoners in Glanerbrug. (Moluks Historisch Museum F95_5083)
Molukse bewoners in Glanerbrug. (Moluks Historisch Museum F95_5083)

In oktober 1953 willen de Redemptoristen hun gebouw weer zelf gaan gebruiken, de Molukse bewoners moeten dan weg. De lokale textielindustrie wil liever niet dat de Molukse bewoners vertrekken omdat zij ondertussen rond de 80 mensen in dienst hebben. Het CAZ ziet echter geen mogelijkheid om de Molukse bewoners in de nabije omgeving te huisvesten. Het lijkt erop dat een deel in ieder geval naar kamp Conrad in Rouveen is verhuist in 1954. Dat moet een flinke overgang geweest zijn, van een stenen gebouw naar oude barakken en van een welkome omgeving naar het in zichzelf gekeerde Rouveen. Waar de andere heen gegaan zijn is niet duidelijk terug te vinden. Nu is er in ieder geval niets meer dat herinnert aan de Molukse bewoning in St Joseph te Glanerbrug. Er is alleen een monumentje voor de Redemptoristen.

Boekbespreking: De herinnering blijft….

Vanwege de herdenking van 70 jaar Molukkers in Nederland zijn er dit jaar vele initiatieven en evenementen. In zo’n jubileumjaar wordt vaak teruggekeken en vindt men het tijd voor het vastleggen van die herinneringen in boekvorm. Één van die boeken is ‘De herinnering blijft…. 70 jaar Molukkers in Woerden. Verhalen over het kampleven in Woerden.” Het boek is rijk geïllustreerd en samengesteld door de Projectgroep 70 jaar Molukkers in Woerden. Woerden telde drie woonoorden: De Singel, De Kazerne en De Utrechtsestraatweg.

Voorkant van het boek De herinnering blijft 70 jaar Molukkers in Woerden. Verhalen over het kampleven in Woerden.
Voorkant van het boek De herinnering blijft.

Op de voorkant van het boek staat een deel van het monument dat onlangs op 19 juni is geplaatst bij de Kazerne in Woerden. Dit is weer een reden om nog eens terug te gaan, want toen wij de Kazerne bezochten was er weinig dat direct herinnerde aan de Molukse bewoning.

De sfeer van het boek wordt meteen neergezet in een het openingsgedicht. Het boek is bedoeld als eerbetoon aan de eerste generatie en tegelijkertijd een inspiratie voor de volgende generaties om de cultuur levendig te houden. Het boek is overzichtelijk opgezet met eerst een meer feitelijke beschouwing gevolgd door persoonlijke verhalen. In het feitelijke deel zijn teksten uit krantenartikelen verwerkt. Wat opvalt is het ouderwetse taalgebruik wat zelfs in de best bedoelde artikelen een flinke koloniale overtoon heeft. Zo worden de KNIL-militairen omschreven als stoere vechters met kinderlijke harten die na hun aankomst wijzer zijn geworden. Daarnaast wordt ook de politieke kant van de zaak en het RMS-ideaal van vrije Molukken beschreven, met onder andere het vlagincident aan de Utrechtsestraatweg.

De drie verschillende kampen worden alle kort beschreven met plattegronden van de bebouwing en waar mogelijk de namen van de families in de verschillende vertrekken. Voor ons als archeologen is dit natuurlijk hele waardevolle informatie. In totaal woonden er 114 gezinnen in Woerden. In het boek is een lijst opgenomen van alle babies die in 1951 zijn geboren. Het gaat om 86 kinderen, waarvan 1 tweeling en 9 kinderen overleden. Opvallend is dat de meeste kinderen in de zomer zijn geboren wat er op wijst dat de moeders zwanger de overtocht hebben moeten doormaken. De eerste drie maanden van het jaar zijn niet meegerekend omdat men toen nog niet in Woerden verbleef. Het zou dus zo maar kunnen dat bijna elk gezin een jonge baby had in het eerste jaar van de kampen.

Inkijkje in het boek De herinnering blijft 70 jaar Molukkers in Woerden. Verhalen over het kampleven in Woerden. met de plattegrond en foto's van De Kazerne.
Inkijkje in het boek met de plattegrond en foto’s van De Kazerne.

Het volgende deel van het boek zijn de persoonlijke verhalen. Hier gaat het boek echt leven. Wat knap is is dat de makers van het boek vele verschillende perspectieven bij elkaar hebben kunnen plaatsen. Zo staan er verhalen in van Molukse bewoners van de kampen, waarvan er één teruggekeerd is naar Indonesië en de verhalen van Nederlandse Woerdenaren die met de Molukse bewoners contact hadden. De verhalen zijn als doorlopende tekst opgetekend, maar aan de terugkerende structuur is te herleiden dat men wel gestructureerde interviews heeft gebruikt. Dit leidt soms tot herhaling, maar laat ook mooi zien hoe verschillende mensen de dingen verschillend beleven en herinneren. Ook komt hierdoor naar voren dat de mensen de kampen ervaren hebben als een plek van saamhorigheid en steun. De omstandigheden waren erbarmelijk en sommige details maken het nog erger omdat deze puur op zuinigheid berust zijn en niet op noodzaak, zoals het afsluiten van het al beperkte aantal douches zodat er alleen op bepaalde momenten gedoucht kon worden en het afsluiten van de elektriciteit overdag op de Utrechtsestraatweg. Over het algemeen woonde men in veel te kleine vochtige ruimtes.

Over 1 ding zijn de oud-bewoners het allemaal eens: December was de beste maand met Sinterklaas, Kerst en Nieuwjaar en vele lekkernijen die al weken van te voren door de moeders gemaakt werden. Ook werd er door de kinderen veel buiten gespeeld en was er altijd wel wat te beleven. Bij de meeste werd thuis niet gesproken over het KNIL-verleden, maar kregen zij wel het onvertelde verdriet van de ouders mee. Sommige ouders hadden ook een slechte gezondheid vanwege dit verleden en overleden jong of waren veel weg in het ziekenhuis. Er werd vooral gezwegen zodat de kinderen onbezorgd konden leven. Omdat de meeste kinderen in Woerden naar school gingen was er vanzelfsprekend meer contact met de lokale bevolking door vriendjes en vriendinnetjes. Woerden heeft geen speciale Molukse wijk waardoor er later meer gemengde huwelijken plaatsvonden. Vele bleven na de kamptijd in Woerden wonen en een deel ging naar het nabijgelegen Breukelen. Vanuit de Nederlandse verhalen komt vooral naar voren dat men in de kampen zeer gastvrij ontvangen werden wat contrasteerde met de wat killere Nederlandse gewoonte en dat men de Molukse jongeren er veel modieuzer uitzagen dan de lokale Woerdenaren.

Het boek sluit af met enkele pagina’s vol foto’s en verhalen over de herdenking nu. Jammer genoeg staan er in het hele boek bijna geen onderschriften bij de foto’s. Misschien is dit gedaan vanwege de vormgeving of omdat men niet alle informatie had. Ook voor de volgende generaties die op zoek zijn naar hun roots had dit handig kunnen zijn. Je kan het zien als een gemiste kans, maar het boek kan hierdoor ook de reden zijn dat de verschillende generaties in gesprek gaan, waarbij de foto’s aanleidingen kunnen zijn voor vragen en het ophalen van herinneringen. Al met al is het een prettig boek om te lezen dat een gevarieerde inkijk geeft in het kampleven in Woerden. De projectgroep heeft iets gemaakt om trots op te zijn.

Lage Mierde: een monument dichtbij en ver weg.

Aan het eind van de middag reden we dan eindelijk naar het woonoord Lage Mierde. De plek van het kamp is nu de gemeentewerf aan het Vloeieind. Om er te komen reden we langs de oude boerderijen van Lage Mierde en het dorp uit. Dit kamp lag niet heel erg afgelegen, maar wel ver van de dorpskern omdat het dorp zo lang is. Na de vondst in Baarschot is het even andere koek bij Lage Mierde. Er is werkelijk niets over van het voormalig woonoord. De gemeentewerf laat alleen de vorm van het kamp nog zien. Een rechthoek omgeven door bomen.

De lokatie van het kamp Lage Mierde, nu de gemeentewerf.
De lokatie van het kamp Lage Mierde, nu de gemeentewerf.

Er is wel een herinnering aan het woonoord, vlak bij de nabijgelegen rotonde staat een monumentje. Het is eigenlijk wel prettig dat het niet op de exacte lokatie staat, want nu is er wat groen omheen en komen veel mensen er langs.

Monument ter herinnering aan het Molukse woonoord Lage Mierde
Monument ter herinnering aan het Molukse woonoord Lage Mierde

Het monument verbeeld de verbondenheid tussen Nederland en de Molukken, gesymboliseerd door een brug tussen twee palen. Op de linker paal staan de Molukken afgebeeld en op de rechterpaal staat Nederland. Op beide palen is een kleine bronze plak bevestigd. De linker paal is een eerbetoon aan de eerste generatie die ter goede trouw waren gekomen en niet meer terug zouden keren. De volledige tekst is: “In geloof en vertrouwen gehoorzaamden ze en vertrokken naar een vreemd land. Wat hen beloofd was zagen ze geen werkelijkheid worden. Ze leefden als vreemdelingen en gasten.” Er leidt hier geen twijfel over het verdriet wat hen is aangedaan. De rechterpaal laat de plattegrond van het kamp zien met de namen van de families die er gewoond hebben.

Bij de onthulling van het monument in 2011 had de Molukse gemeenschap in samenwerking met het museum De Bewogen Jaren grote doeken met oude foto’s van het kamp geplaatst op de gemeentewerf, zodat men nog een beetje de oude sfeer kon proeven.

Lage Mierde was een gemiddeld kamp voor 18 gezinnen met in totaal ongeveer 130 bewoners. Het kamp werd pas in 1954 in gebruik genomen en zou in 1962 weer verlaten worden. Als je de kranten moet geloven is er weinig gebeurd, want ik kon maar één artikel terugvinden, waarbij Lage Mierde alleen kort genoemd wordt in een lijst van nieuwe kampen. Het bezoek aan het museum De bewogen jaren was daarom zo leuk. Daar zagen we de foto’s van alle mensen en alle activiteiten die ze gedaan hebben. Niks saaie boel, maar een levendige gemeenschap.

Postermap uit het Museum de Bewogen Jaren met foto's van kinderen uit kamp Lage Mierde, die allerlei activiteiten uitvoeren zoals toneelspel en dans.
Postermap uit het Museum de Bewogen Jaren met foto’s van kinderen uit kamp Lage Mierde, die allerlei activiteiten uitvoeren zoals toneelspel en dans.

Er is ook nog een monument op afstand en dan doel ik niet op de voetballer Simon Tahamata die in Lage Mierde woonde. Een barak uit het kamp is namelijk in 2003 afgebroken en heropgebouwd in het Openlucht Museum te Arnhem. Hier vertegenwoordigt de barak de Molukse woonoorden in Nederland. Het was de barak van de beheerde en de keuken. In Arnhem is echter een Moluks woongedeelte nagebouwd in een deel van de barak. Daar moeten we dus ook nog eens op bezoek.

Museum De Bewogen Jaren.

Bij ons bezoek aan Baarschot had Wim ons geadviseerd om ook even naar het museum van John Meulenbroeks te gaan bij café de Bijenkorf in Hoge Mierde. Zo trokken wij verder en verwachtte een zolderkamermuseum boven het café. Bij het café aangekomen bleek de zolderkamer echter een klein museum even verderop in een oud bankgebouw. We werden ontvangen door een vriendelijke vrijwilliger die ons uitlegde wat er te zien was. Het museum De Bewogen Jaren gaat vooral over de oorlogsjaren in Nederland en Indonesië in de periode 1939-1950. Maar er is ook een klein deel van het museum dat over kamp Lage Mierde gaat.

Foto van kamp Lage Mierde
Foto van kamp Lage Mierde voor de Molukse bewoning, naast de vitrine.

Als eerste werden we geleid naar een kleine vitrine met materiaal uit verschillende tijden van het kamp. Op de bovenste plank lag een grote pollepel en schuimspaan. De centrale keuken was iets uit alle fasen van het kamp of het nu ging om de DUW-arbeiders, gedwongen arbeid tijdens de oorlog, herstellende kinderen of Molukse bewoners, iedereen at wat de pot schaftte. Naast de vitrine hing een oude foto van het kamp uit de tijd voor de Molukse bewoners. Daaronder hing een foto van dezelfde barak in het Arnhems openlucht museum.

Vervolgens werden we naar de achterste ruimte geleid waar een Indonesische kamer was ingericht. Het museum maakt weinig onderscheidt tussen de verschillende kanten in de oorlog en de daaropvolgende koloniale oorlog. Het is vanuit een Nederlands perspectief gemaakt. Maar meer nuance is ook niet het doel van het museum. De ruimte staat vol met vitrines waar levensgrootte poppen in uniform staan. Daar tussendoor staan vitrines met allerhande spullen. Zo liggen er in een vitrine over de reis van en naar Indonesië enkele biljetten scheepsgeld. Hier had ik al over gelezen in het boek Ombak Maluku, en nu zag ik het in het echt. Wel geld van een andere boot, maar toch een heel herkenbaar iets. Verder zijn er oude pakjes sigaretten en etenswaren. Wat ik bijzonder vind waren de geborduurde lappen stof uit de interneringskampen. Maar daar waren we niet voor gekomen. Wat voor ons de aandacht had waren de mappen achterin.

Poster in museum de bewogen jaren met daarop de namen van twee Molukse families uit kamp Lage Mierde
Posterblad met familie beschrijving en bijbehorende foto’s in Lage Mierde.

Achterin hangen postersmappen met daarin lijsten van de families uit kamp Lage Mierde met daaronder foto’s. Het zijn familiekiekjes, maar die geven juist een mooie inkijk in het dagelijks leven. Naast de portretfoto’s die serieus overkomen, zijn er spelende kinderen te zien en gezamenlijke activiteiten zoals communies, toneelspel, sport en dans. Je raakt gewend aan de zwart-wit foto’s en af en toe zit er dan opeens een kleurenfoto tussen. Daarmee wordt je toch op een andere manier geraakt omdat er opeens letterlijk kleur in het leven komt. Als je de lijsten bekijkt waarop alle kinderen met geboortedatum en geboorteplaats staan, wordt duidelijk hoeveel de families rondreisde voor ze naar Nederland kwamen. Daarna hebben velen één of meerdere kinderen in Lunetten gekregen voordat de baby’s in Lage Mierde geboren werden.

Poster in museum de bewogen jaren met daarop foto's van de Molukse bewoners uit kamp Lage Mierde
Enkele foto’s met allerlei activiteiten.

De postermappen zijn moeilijk te fotograferen, maar geven wel een heel gevarieerd beeld van een klein kampje. Het leuke van dit museum is dat je eigenlijk gewoon iemands passie zit te bekijken. Het is ontstaan uit een fascinatie voor de tweede wereldoorlog in de lokale context en werd door de Indië-gangers uit de buurt verlegd naar het wereldtoneel. Toen de verre wereld in Lage Mierde kwam wonen kreeg ook dat de interesse. Het is misschien niet het meest gestructureerde museum, maar als je een interesse in de periode 1939-1950 hebt, is het zeker de moeite waard. Door de verzameldwang zijn er namelijk bijzondere objecten te zien. Ook zijn er leuke opstellingen gemaakt waarbij met levensgrote poppen situaties zijn verbeeld. Voor degene die komen voor het Molukse verhaal kan het misschien minimaal zijn. Maar als je meer onderzoek wil doen naar Lage Mierde is het de moeite waard om alle families te zien.

Baarschot, een mooie verassing.

Soms stel je je niets speciaals voor bij een bezoek aan een kamp zo als afgelopen zaterdag. We besloten twee kampjes in de buurt van Tilburg te doen omdat we dat makkelijk op één dag zouden redden. Het waren immers twee kleine kampen waar weinig over te vinden was. De dag zou echter anders verlopen, het werd een drukke dag met mooie ontdekkingen. We kwamen s’morgens aan in Baarschot aan de Spreeuwelsedijk. We parkeerden en liepen even rond om na te gaan of we op de juiste plek waren. Aan het begin van het terrein van wat nu Eigentijdserf heet, staat een klein wit huisje. We wilde even vragen of we rond mochten lopen, maar een hard blaffende hond deed ons naar het hoofdgebouw uitwijken. Al lopend zagen we rechts al een groen schuurachtig gebouw tussen de struiken. Het zal toch niet waar zijn? Bij het hoofdgebouw aangekomen was er niemand behalve een bordje met een telefoonnummer dat we konden bellen. We belden en werden weer terug geleid naar het kleine huisje. De hond kwam ons al blaffend tegemoet, maar bleek niet te bijten. We werden hartelijk begroet door de ‘beheerder’ Wim van Bijsterveld die na het horen van de reden van ons bezoek zei: Nou jullie kunnen wel in de barak kijken die nog over is uit het kamp. Hij moest even de sleutel halen en wij moesten even diep ademhalen. Ons vermoeden was dus juist geweest die groene schuur was nog een originele barak .

Oude barak uit het woonoord Baarschot van groen hout met witte kozijnen nu nog aanwezig.
Oude Barak uit het woonoord nog aanwezig in Baarschot.

De barak wordt nu als schuur en werkplaats gebruikt, maar was vroeger de kantine en kerk. De barak heeft dan ook een grote open ruimte en wat kleiner zijkamertjes. De houten balken die het dak ondersteunen zijn nog in prima staat, alsof ze er gister neergezet zijn. De balken staan op kleine betonnen pilaartjes. De vloer is van hout met daarop blauwgrijze plavuizen. Om de pilaren zijn witte siertegels gelegd die een vierkant vormen. De vloer ligt vol met spullen en zaagsel, maar het is nog duidelijk te zien dat het een elegante indruk moet hebben gemaakt. De originele deuren staan in een stapel opgesteld.

De binnenkant van de barak in Baarschot met de open ruimte. Links staan de originele deuren. Rechtsachter is nog een deuropening te zien naar een klein kamertje en een oude wc.
De binnenkant van de barak met de open ruimte. Links staan de originele deuren. Rechtsachter is nog een deuropening te zien naar een klein kamertje en een oude wc. Binnen is het droog, maar vol met spullen.

Wim wijst ons nog op een ander origineel detail, de hoofdstroomschakelaar. Deze zit onder de stoppenkast die wel vernieuwd is. De barak stamt uit 1932 toen het kamp als DUW-kamp werd gebouwd. De barak is dus bijna 90 jaar oud. Van binnen is wel van alles veranderd. De deur vanuit de hal naar de grote ruimte is eruit gezaagd zodat er grotere dingen naar binnen konden worden gebracht. In het halletje is ook een plaat uit het plafond verwijderd, waarschijnlijk om de bedrading te bekijken en de staat van het dak te controleren. Aan de linkerkant achter in de zaal zijn moderne toilets geplaatst en er is centrale verwarming. Maar de algehele indruk is toch dat de barak nog een heel goede indruk geeft van hoe het was. Je moet alleen even alle spullen wegdenken.

De originele hoofdschakelaar voor de stroom in de barak in woonoord Baarschot
De originele hoofdschakelaar voor de stroom

De buitenkant laat echter zien dat de barak wel op zijn laatste loodjes loopt. Hoe goed het er van binnen uitziet, hoe erg de gaten in de buitenkant zijn. Het hout is op vele plekken aangetast en je kunt door de gaten de binnenwand zien. Het geeft voor de archeoloog natuurlijk een mooi kijkje in de constructie. Maar toch had ik dat liever niet gezien. De ruimte tussen de binnen- en buitenwand is maar enkele centimeters en het staketsel waarop de wandplanken zijn aangebracht bestaat uit dikke planken in plaats van balken. Er is helemaal geen vorm van isolatie te bekennen, maar dat was ook niet verwacht.

De achterkant van de barak in woonoord Baarschot. Boven de kozijnen zijn de gaten in het hout duidelijk te zien, maar ook op ander plekken kun je tussen de planken gaten zien.
De achterkant van de barak. Boven de kozijnen zijn de gaten in het hout duidelijk te zien, maar ook op ander plekken kun je tussen de planken gaten zien.

De kozijnen zijn echter nog in redelijke staat. De meeste raampjes zijn nog intact ook al hebben sommige wat barsten. Al met al een bijzondere vondst. Wim nodigt ons uit voor een kopje thee in de tuin van zijn woning. Deze woning stamt ook nog uit het kamp en was vroeger het badhok en de schuur. Aan de zijkant is zelfs nog een ring om een paard vast te zetten. Van binnen is het echter helemaal verbouwd en sommige deuren en ramen aan de buitenkant zijn veranderd. De zeer grote schoorsteen voor zo’n klein huisje laat zien dat het een andere functie dan woonhuis heeft gehad.

Het voormalige badhuis en garage van het woonoord Baarschot gezien vanaf de weg.
Het voormalige badhuis en garage van het woonoord Baarschot gezien vanaf de weg.

Wim woont hier al 40 jaar en in het begin stonden er nog meer barakken op het terrein. Een grote barak voor de beheerder en het kantoor stond schuin achter het huis en links op de parkeerplaats stond nog een woonbarak parallel aan de weg. De Molukse bewoners waren echter al weg toen hij er kwam wonen. Af en toe komen er nog oud bewoners of hun kinderen langs om te kijken naar hun oude woonplek. Ten tijde van het woonoord was hier het einde van de verharde weg, verder naar het zuiden werd het zandpad. Het kamp heet dan ook Baarschot omdat het alleen door het dorp te bereiken was, terwijl het kamp eigenlijk in Westelbeers ligt. De weg is pas in 1963 helemaal verhard. Toen de barak uit het nabijgelegen Lage Mierde werd overgeplaatst naar het open luchtmuseum in Arnhem, werd de grote barak in Baarschot ook ingemeten zodat men de inrichting in de juiste maten kon maken. Voordat we er erg in hadden waren we een paar uur verder. Wim raadde ons aan in Hoge Mierde ook even langs het museum te gaan van de eigenaar van cafe de Bijenkorf voordat we naar het woonoord Lage Mierde zouden rijden. Maar daar over later meer.

Boekbespreking Ombak Maluku (Molukse golven).

In april werd het boek ‘Ombak Maluku: Molukkers ongewild naar Nederland’ geschreven door Jim Worung en Nanneke Wigard uitgegeven. Het is een goed vormgegeven boek vol foto’s en documenten. Het matte papier zorgt voor een mooie afwerking en geeft diepte aan de foto’s. De eerste indruk van het boek is dan ook goed. Het boek is ingedeeld in drie grote hoofdstukken: Gebeurtenissen voor vertrek, De Reis, en De Aankomst.

boekomslag Ombak Maluku

Het eerste hoofdstuk over de tijd vlak voor het vertrek geeft erg veel informatie, maar dat wil niet zeggen dat alles duidelijk wordt. Dit komt niet doordat ze rommelig schrijven, maar omdat de situatie zelf zo onoverzichtelijk is. Tegenstrijdige berichten via verschillende kanalen, een grote tijdsdruk en constant veranderende omstandigheden zorgen voor een complex geheel, waar niemand het gehele overzicht heeft. Het is wonderbaarlijk dat ze hier nog een samenhangende tekst van hebben kunnen maken. Wat mij vooral bij blijft uit dit eerste hoofdstuk is dat de gezinnen al zoveel hadden meegemaakt voor het vertrek. Door de oorlog verbroken gezinnen die net weer bijeen zijn, familieleden die overlijden, het vele rondtrekken van de militaire gezinnen waardoor ieder kind in een andere plaats is geboren, en daar bovenop het vrij plotselinge vertrek. Vaak had men maar enkele dagen de tijd om zich voor te bereiden op het vertrek en had men geen idee wat men mee moest nemen omdat het maar voor enkele maanden in een ver vreemd land zou zijn.

In het hoofdstuk De Reis wordt de overtocht besproken. Elke boot wordt beschreven. Een deel van de tekst is gebaseerd op de beschrijving van de Nederlandse leiding. Het is duidelijk vanuit een militair perspectief waarbij de vrouwen en kinderen zich moeten schikken naar de militaire orde en er weinig compassie is. Het is duidelijk dat die militairen geen ervaring hebben met burgers en hoe met hen om te gaan. Het maakt enorm veel uit op welke boot je toevallig terecht komt in hoe de reis ervaren wordt. Het varieert van vijf-hoge slaapplekken in broeierige ruimen tot goede hutten. Mannen werden meestal gescheiden van hun vrouwen en kinderen wat voor gezinnen natuurlijk raar is. En het varieerde van wassen met zout water tot genoeg zoet water voor iedereen. Op sommige boten is bijna iedereen zeeziek, terwijl andere boten hier bijna geen last van hebben; wat de kwaliteit van de reis sterk vergroot. Sommige boten zijn rustig of gezellig terwijl er op andere veel onrust en ruzie is. Overal zijn verstekelingen die in het boek uitgebreid besproken worden. De verhalen van de toenmalige kinderen die de reis maakten geven het geheel kleur. Wat ik het meest opvallend vind, is dat er geen duidelijk beleid lijkt te zijn over wie van de kinderen mee mogen. Sommige laten gedwongen enkele van hun vier kinderen achter terwijl anderen met acht kinderen aan boord gaan. Het lijken onmogelijke keuzes die natuurlijk verward worden door de gedachten dat het om een tijdelijk afscheid gaat. Het kwam wel vaker voor dat kinderen enige tijd op andere plekken of bij familie onderdak vonden voor scholing en dergelijke. Men kon de permanente scheiding niet voorzien.

Een grappig detail is dat een bediende op de Kota Inten (tweede reis) wegens brutaliteit van de Willem Ruys was verwijderd. Dit is het schip waarmee mijn ouders enkele jaren later naar Nieuw-Zeeland zouden emigreren, om tien jaar later weer terug te keren naar Nederland.

Het laatste hoofdstuk gaat over de aankomst in Nederland. Per boot wordt verteld hoe en wanneer er ontscheept wordt. Het is duidelijk dat het daadwerkelijke ontslag uit dienst moeilijk of niet geaccepteerd wordt. De eerste indrukken die opgeschreven zijn van vooral de kinderen laten zien dat men totaal niet voorbereid was op het daadwerkelijke Nederland. De sneeuw die er was bij de vroege aankomsten was natuurlijk bijzonder, maar de kale bomen lieten een diepe indruk na. Dat moet ook een onbegrijpelijk uitzicht zijn geweest voor iemand uit de tropen. De ontvangst was zakelijk en de omstandigheden in de kampen was meteen ondermaats. Na zo’n zware reis zal slapen op een strozak wel heel erg tegenvallen en dan hebben we het nog niet over de gedeelde wc’s en het gebrek aan makkelijk toegankelijk warm water. Maar ook hier verschilt het heel erg in welk woonoord je terecht kwam. In het boek is ook aandacht voor de Molukkers die op andere tijdstippen kwamen of die niet bij de KNIL hadden gezeten. Dit is een onderdeel dat helemaal nog onderbelicht is in de geschiedschrijving.

Het is een boek waar de auteurs trots op kunnen zijn. Zij weten veel informatie over de overgangsperiode op overzichtelijke wijze te plaatsen. Soms is de tekst wat telegramstijl, maar dat komt door de militaire bronnen die gebruikt zijn. Voor iedereen die meer wil weten over hoe de Molukkers in Nederland kwamen is dit boek zeker een aanrader. Ik heb het in ieder geval met veel interesse gelezen en genoten van de mooie foto’s die, ook al zijn ze zwartwit, het verhaal kleur geven.

Oostburg, De Wilgenhof, een driehoek met nissenhutten.

De Wilgenhof is een driehoekig kamp in de splitsing tussen twee wegen, de Nieuwstraat en de Grotendam in Oostburg. Toen ik er was stond het gras tot ver boven de knieën. De originele hekpalen uit de tijd van het kamp stonden er nog. Het hek had wel een slot, maar was open. Ik zag niemand en vond het niet gepast om zomaar iemands terrein te betreden. Door het hoge gras had ik ook weinig kunnen zien.

De vorm van het kamp is nog duidelijk te zien in de begroeiïng op de grenzen van het perceel. Er was verder weinig te zien, en het lijkt er op dat alle beton en bestrating verwijderd is. Er was geen verstoring in de begroeiïng te zien die vaak wijst op achtergebleven structuren. Het kamp werd nadat de laatste Molukse bewoners waren vertrokken compleet afgebroken omdat de kosten voor renovatie te hoog waren.

In het boek Molukkers in Zeeland staat uitgebreid omschreven hoe het kamp ingedeeld was. Aan de wegzijde was een houten barak op steenfundering die diende als kerk en kantine en een stenen barak met de beheerderswoning, kantoor, magazijn, de keuken, en een kamer voor de aflosbeheerder. Tussen deze barakken was de toegang tot het kamp. De andere twee zijde van het kamp vormde een driehoek door middel van in totaal 20 nissenhutten. 1 nissenhut deed dienst als stookgebouw en badhuis. De eerste bewoners kwamen van de boot Castelbianco die op 24 april in Rotterdam aankwam. In het eerste jaar woonde er rond de zestig mensen. In 1957 was dit uitgegroeid tot bijna 140 mensen. Zoals onderstaande afbeelding laat zien was het een netjes kamp met bestrating en hegjes (bron MHM, FF10951) Er was ook elektriciteit en stromend water.

De bewoners van het kamp hielpen in februari 1953 bij de watersnoodramp. Maar zij gaven meer dan alleen maar mankracht. Een collecte in het kamp haalde ook nog eens 104 gulden op. Als je bedenkt dat men 3 gulden per week kreeg, is dit veel geld. In 1954 reed koningin Juliana langs het kamp op een tocht die herdacht dat haar moeder koningin Wilhelmina in 1945 via Zeeland weer op Nederlandse bodem was gekomen. Juliana werd bij het kamp uitbundig toegezwaaid.

Het lijkt erop dat ook al woonde men in het moeilijk bereikbare Zeeuws-Vlaanderen men niet het contact met de rest van Nederland verloor. In 1954 als in kamp Lunetten gestaakt wordt tegen de zelfvoorzieningsregeling, stuurt de kampraad (samen met andere kampen in Zeeland) een bericht van steun aan de stakers.
In 1958 wordt er gesproken over het opheffen van de kampen in Zeeuws Vlaanderen omdat de bewoners geen werk kunnen vinden. De staat moet hierdoor geld bijleggen en de kampen worden als onrendabel bestempeld. De bewoners hebben het echter naar hun zin en hebben geen haast met vertrekken. Uiteindelijk zal het laatste gezin pas begin 1963 het kamp verlaten. Dit betekend voor de gemeente met woonoorden een teruggang in hun aantal inwoners, want sinds 1958 waren zij bij de gemeente ingeschreven. Vooral voor de kleine gemeentes zoals Oostburg was dit een verlies. Maar met de reünie in 2019 waren er voor even weer vele Molukkers in Oostburg.