Lilbosch, het andere woonoord in Echt.

In de vorige blog schreven we over het woonoord Op de Loop aan de west kant van Echt. Enkele kilometeres ten oosten van Echt lag nog een woonoord met een heel ander karakter; Lilbosch. In plaats van een barakkenkamp tussen de fabrieken ging het hier om een oud-internaat, het Sint Bernarduscollege, tussen de velden naast het klooster Lilbosch. Nu hebben we al vele soorten kampen bezocht; in woonwijken, weilanden, bossen, steden, klooster en kazernes, maar hier was toch iets wat ik niet eerder gezien had, een bunkerkapel. En het is precies zoals het klinkt een bunker met daarin een kapel. In de bunker is nog de ingang te zien van een onderaardse gang die leidde naar het woonoord.

De onderaardse gang die vanuit de bunkerkapel richting het woonoord leidt.

Deze tunnel en de bunkerkapel zijn restanten uit de Tweede Wereldoorlog, toen het internaat gebruikt werd voor kinderen verbonden aan Duitse scholen. De bunker diende niet als gevechtseenheid, maar als schuilkelder en de tunnel zorgde ervoor dat de kinderen uit het internaat veilig naar hun schuilplek konden. Het kapelletje dateert pas uit 2009 en is aangebracht na de vrijlegging van de bunker die onder puin begraven was.

Het college werd na de oorlog niet meer gebruikt voor scholing. Eerst werden er SS-ers en NSB-ers gedetineerd. Vervolgens kwamen er gastarbeiders voor de staatsmijnen uit Italië, Hongarije en Polen.

In maart 1951 worden in Lilbosch al voorbereidingen getroffen om 44 Molukse gezinnen op te vangen zodra die in Nederland aankomen. In 1952 gingen 28 gezinnen, die voor de eerste opvang in Lilbosch waren geplaatst, naar woonoord Oude Molen in Well. Wat er met de overige 16 gezinnen gebeurd is, of dat zij überhaupt wel in Lilbosch zijn geweest is niet duidelijk. Mevrouw Olga Talapessy verteld in Buun 14 (2012) dat zij als dertienjarige samen met 30 gezinnen aankwam in Lilbosch. Dit lijkt een beter getal. Zij vertelt ook dat zij een Christelijke achtergond hadden en het daarom een geschikte plek vonden. Volgens haar werden er veel activiteiten georganiseerd voor vrouwen. Zij wist minder wat de mannen deden. Er is verder weinig te vinden over de Molukse bewoning hier, maar dit komt misschien omdat dit van de relatieve korte duur is geweest van iets meer dan een jaar.

Van het Sint Bernarduscollege zelf is weinig over. In 1965 werd het getroffen door een brand die de bovenste verdieping vernietigde. Het pand werd nog wel hersteld en gebruikt door de de huidige stichting Pergamijn. Maar in 1994 is het pand vanwege de slechte staat afgebroken. Niet alles is echter verloren gegaan. De trappilaar is blijven staan en dient nu als herinneringsplek. De inscriptie op de pilaar luidt: Sint Bernardus college 1906-1942. De overige geschiedenis van het gebouw wordt niet vermeld. Het doet een beetje surrealistisch aan een enkele zuil met een achtergrond van bamboe in een netjes parkje.

Herdenkingspilaar in Lilbosch met inscriptie.

Historisch informatie over het internaat komt uit de publicatie van R.J.M. Rutten uit 2010.

Woonoord Op de Loop te Echt

Als er één woonoord moeilijk te onderzoeken is dan is het Op de Loop te Echt (de locatie is in een volgende blog aangepast). Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste is de kampnaam en de plaatsnaam onbruikbaar als zoekterm. Of je krijgt geen vondsten of je krijgt er hopeloos veel. Want het blijkt dat er veel mensen echt voor iets op de loop zijn. En dit in vele combinaties door hele teksten waar een keertje het woord echt, op, de, en loop in verschijnt. Het toevoegen van het woord Ambonees reduceert het aantal berichten niet noemenswaardig. Ten Tweede is er van het woonoord niets meer over vanwege de snelweg A2 die er dwars overheen is aangelegd. Je zou er als onderzoeker bijna moedeloos van worden.

De locatie van woonoord Op de Loop, Google Maps.

In totaal heb ik twee krantenartikelen kunnen vinden over Op de Loop. Het ene artikel uit oktober 1952 gaat over vechtpartijen van Keiëzen op de kermis in Echt. Natuurlijk was de aanleiding een meisje. Het andere artikel uit 1954 gaat over een tragisch ongeval waarbij een zes-jarig jongetje levensgevaarlijk gewond raakte bij het spelen op een kleitrammetje van de nabijgelegen dakpannenfabriek. Hoe het met hem is afgelopen werd niet vermeld.

Er gebeurde niet alleen vervelende dingen in Op de Loop zoals blijkt uit een oude foto uit 1959 die ik kon vinden via het Moluks Historisch Museum. Bewoners zitten in een carnavalswagen die een prauw lijkt voor te stellen. Een mooie vermenging van Molukse en lokale cultuur.

Bewoners van Op de Loop in een carnavalswagen MHM F97_7133.

Er is ook nog een groepsfoto te vinden van een communiefeest van Dina Teljoarubun en Ria Vinck in 1953. Ria was de dochter van de beheerder.

Communifeest in Op de Loop MHM F 95.5269.

Dank zij deze foto zijn de namen van veel bewoners en vrienden bekend. Het bijschrift luidt namelijk:

Voorste rij
v.l.n.r.: Piet Vinck, Emile Setitit, Clara Lasomer, Willie Vinck, Albertina Teljoarubun,
Augustina Teljoarubun, Theo Vinck, dhr. Selitubun, dhr. Renhungan, dhr.
Selitubun, dhr. Pius Heatubun, dhr. Djirlau. Tweede rij v.l.n.r.: dhr. Benny
Refualu, dhr. Jan Rahangmetan, dhr. Albert Kadmaerubun, dhr. Jaftoran,
beheerder Vinck, mevr. Vinck, de communicantjes Ria Vinck en Sukandina (Dina)
Teljoarubun, twee onbekende Nederlandse mannen, mevr. Tien Sarkol,
onbekende Nederlandse man, mevr. Teljoarubun, mevr. Liesbeth Teniwut, dhr.
Kerubun, dhr. Jamlean, dhr. Jo Rejaan, dhr. Foe, dhr. Jacob Ngamelubun, dhr.
Kurmasela, dhr. Bennie Ohoiwirin. Achterste rij v.l.n.r.: dhr. Watty, dhr. Tanlain,
dhr. Teniwut, Theo Janssen, Lena Janssen(oom en tante van comminicante Ria), dhr. Herman Ngoranubun, dhr. Frans Jaftoran met zoontje Don, dhr. Teljoarubun, dhr. Marius Farneubun, dhr.
Paul Ferneubun, dhr. Gerrits, dhr. Albert Rahantoknam, dhr. Kewilaa, dhr.
Kelwulan, dhr. George Sedubun, dhr. Unawekla, mevr. Gerrits.

Topografische kaart uit 1959 met de locatie van Op de Loop.

De topografische kaart uit 1959 laat vermoedelijk de plattegrond van het kamp zien direct onder het woord Pannenbakkerij. Het kamp heeft een ongebruikelijke lay out van twee naast elkaar gelegen u-vormen, elk bestaande uit drie barakken en een klein bijgebouwtje. Het kamp was bewoond van 1952 tot en met 1965. Daarna gingen de 10 tot 15 gezinnen verspreid wonen in de bomenbuurt van Echt. Later zouden hier ook bewoners uit het woonoord Montfort bijkomen.

Blik op de locatie van woonoord Op de Loop onder de snelweg.

Zo zie je maar weer dat ondanks de moeilijkheden er toch nog kleine brokjes informatie gevonden kunnen worden. En natuurlijk zullen de oud-bewoners nog vele verhalen kunnen vertellen. Dertien jaar woonoord is een hele kindertijd.

Geleen Graetheide, hoe een naam kan misleiden.

Op een regenachtige dag reden we terug vanuit Zuid-Limburg en deden we onderweg nog enkele woonoorden aan. Het eerste woonoord was Graetheide. Bij die naam had ik me altijd een afgelegen kamp in de vrije natuur voorgesteld. Het duurde inderdaad even voordat we er waren, maar dat was vooral omdat we een verkeerde afslag hadden genomen, iets wat ons zelden overkomt. We waren meteen op een omweg van 10 kilometer aanbeland. Toen we dan eindelijk de plek van Graetheide opdraaide was het uitzicht verre van natuurlijk. We stonden geparkeerd op een groot chemisch industrieterrein beter bekend als Chemelot.

Blik op de locatie van het woonoord Graetheide.

Graetheide was een groot kamp met 25 barakken van hout en steen. Het was eerder gebruikt als onderkomen voor collaborateurs in de Tweede Wereldoorlog. Daarna woonden er de Oost-Europese en Spaanse werknemers van de staatsmijnen. In maart 1951 kwamen 151 Molukse bewoners naar Graetheide. Zij zouden daar tot 1963 blijven wonen.

In augustus 1951 wil men een groep Kei-ezen naar Graetheide verhuizen omdat zij bedreigd worden in Lunetten. In het eerste plan gaat het om de katholieke Kei-ezen, maar omdat men niet het kleine aantal protestanten wil achterlaten verhuizen ook zij (de Tijd). In oktober worden de Kei-ezen verplaatst naar Mill in ruil voor Amboneze gezinnen (Limburgsch Dagblad). Dit naar aanleiding van een mogelijke relatie tussen een Kei-eze jongen en Ambonees meisje, waardoor men problemen verwachtte. Enkele Kei-ezen uit Mill wilde mee met de Ambonezen waar zij altijd goed mee hadden samengewoond. Zij vonden het onterecht om gescheiden te worden vanwege oude problemen in Lunetten (Asser Courant, Twentsch Dagblad, Volkskrant). Opmerkelijk is dat de stichting “Door de Eeuwen Trouw” een telegram stuurt naar de regering waarin zij aangeeft het niet eens te zijn met de politiek van gedwongen verhuizingen. Zij zien dit als intimidatie van de kampbewoners met tot doel hun murw te maken.

Graetheide is al snel een kamp met vele kanten. Enkele mannen van Graetheide vinden snel werk, maar stoppen zodra zij 60% van hun loon moeten inleveren. Daarnaast zijn er veel activiteiten die binnen en buiten het woonoord plaatsvinden: voetbal, dansavonden, kerstviering voor kinderen met kado’s van het rode kruis, een lokaal jubileum van vroedvrouw Lambermon-Vossen meevieren door middel van een bloemstuk, en deelname aan de Brunssumse kunstweken. Dit zijn alleen de activiteiten die de krant haalden dus men kan er vanuit gaan dat er veel meer gebeurde. Opvallend is dat veel activiteiten buiten het kamp plaatsvinden en betrekking hebben op uitwisselingen met de lokale bevolking via sport en muziek. Ook al zal het weinige verbazen dat sport en muziek hoog op de activiteitenlijst van de bewoners van Graetheide stond.

In 1957 wordt door de Republiek der Zuid-Molukken een memorandum opgesteld waarbij onder meer beklag wordt gedaan over de soms erbarmelijke omstandigheden in de woonoorden Graetheide wordt hierin samen met Lunetten en Elzenpas specifiek genoemd vanwege de grote aantallen bewoners en slechte sanitaire voorzieningen (Arnemsche Courant). In Graetheide moeten 6 tot 8 gezinnen 3 toiletten delen. In juni van het volgende jaar stelt kamerlid Stufkens hier zelfs vragen over aan de Minister Klompé van Maatschappelijk Werk (Limburgsch Dagblad, De Maasbode, Het Parool). Het woonoord is overbevolkt, maar mensen willen ook niet graag verhuizen, want dat betekend gescheiden te worden van hun gemeenschap. Het is ook duidelijk dat gemeenten niet graag nieuwe woonoorden binnen hun grenzen hebben. Het is duidelijk dat er op de bewoners wordt neergekeken, volgens het Parool meer vanwege het feit dat ze in kampen wonen dan vanwege hun kleur. Het een lijkt echter met het ander verbonden te zijn als we de discriminerende houding van de autoriteiten bekijken bij het opzetten van de opvang. Ondanks deze problemen zullen een deel van de bewoners nog tot 26 maart 1963 in Graetheide verblijven. De meeste bewoners verhuisden vrijwillig naar de Potterstraat en Borrekuil in Geleen, ongeveer 20 gezinnen werden echter onder dwang verhuisd waarvan een deel naar Farnsum, Doesburg, Souburg en Appingedam omdat zij niet naar een woonwijk wilden. Het betrekken van een huis betekende namelijk het opgeven van het ideaal om naar de Molukken terug te keren.

De locatie van het woonoord op de huidige kaart.

Rijckholt in de Zuid-Limburgse heuvels.

Inleiding

Als student archeologie was ik al eens in Rijckholt geweest. Tijdens de Nederland excursie, waarbij we in een week de belangrijkste vindplaatsen bezochten, konden de vuursteenmijnen uit de prehistorie niet ontbreken. Dat ik ruim 25 jaar later terug zou keren naar Rijckholt voor onderzoek naar hedendaagse archeologie had ik toen niet kunnen bedenken. Van de Molukse woonoorden had ik nog niet gehoord en hedendaagse archeologie bestond niet in Nederland als onderzoeksgebied. In de zomer van 2019 had Servaas Maturbongs ons via deze website al gewezen op woonoorden in kloosters en de aanwezigheid van een herdenkingsplaat in Rijckholt. Na het parkeren van onze auto was meteen duidelijk dat we op de juiste plek waren. In de achteruitkijkspiegel zag ik de herdenkingsplaat al zitten.

De marmeren herdenkingsplaat in 2016 aangebracht.

Het klooster

(historische informatie uit Grueles jg 25 nr 4)

Het klooster is nu een kerk en een Bed en Breakfast waar wij de nacht zouden doorbrengen. William, de eigenaar van de B&B en het nabijgelegen cafe Riekelt, wist ons te vertellen dat het deel waar de Molukse gezinnen gewoond hadden is afgebroken. Het was nadat de Molukse bewoners waren vertrokken helemaal verwaarloosd en de begroeiing kwam door het dak. De kamer waarin wij verbleven leek waarschijnlijk wel op de kamers die toen in gebruik waren wat betreft sfeer van dikke muren met twee ramen en een deur die uitkomt op een lange gang die over de binnenplaats uitkijkt. Wij vonden het er erg koud, terwijl de verwarming aanstond. William vertelde dat ze de verwarming niet te hoog zetten omdat gasten daarover geklaagd hadden. Zo zie je maar weer, nooit is iedereen tevreden. De paters waren in ieder geval blij met de komst van de Molukse bewoners omdat dit betekende dat de voorzieningen onderhouden konden worden. Sinds het vertrek van de Franse Dominicanen in 1932 waren er slechts vier paters overgebleven en werd het klooster deels verhuurd om in het onderhoud te voorzien, zoals aan scheepskinderen en Nederlandse KNIL-militairen en hun gezinnen.

Foto van het klooster met de paters het rechter deel van het klooster op de foto is afgebroken.

Op 11 November 1952 arriveerde 35 gezinnen (136 personen) die verspreid over 56 kamers woonden. Sommige gezinnen kwamen uit kamp Beugelen bij Staphorst. Het lijkt alsof er een goede sfeer hing in het woonoord. Waarbij de grotere kinderen naar scholen in de omliggende plaatsen gingen, de vrouwen verschillende cursussen deden en de mannen veelal werkte bij Sphinx of de Zinkwit. Anders dan in andere woonoorden lijken de meeste mannen snel werk te hebben gevonden. In de jaren werden er 98 kinderen geboren meestal met de hulp van vroedvrouw Christina Titihalawa nu en dan bijgestaan door de lokale dokters. Gelukkig wordt er weinig kindersterfte in het woonoord vermeld. Een trieste uitzondering is Bernardus Maturbongs, die op 10-jarige leeftijd in 1960 verdronk in de Maas. Zijn verzorgde graf ligt voor altijd tegen de muur van het klooster.

Er was een centrale keuken in de achtertuin waar in het begin nog Nederlandse maaltijden werden gekookt. Later gingen de vrouwen zelf koken in deze keuken en had men in de eigen kamer een petroleumstel voor thee en (baby)pap. De vrouwen gingen op vrijdag vaak zelf met de bus naar de markt in Maastricht voor verse groente, fruit en vis, vooral makreel. Die voorkeur voor makreel kan ik me ook nog uit verhalen over andere woonoorden herinneren. De lokale bevolking die in het klooster langskwam konden dat andere eten en de gastvrijheid wel waarderen. En volgens mij werden bezorgingen dan ook het liefst rond etenstijd gedaan.

De muur links is van het klooster. De nieuwe huizen staan op de plek waar de vleugel was met Molukse bewoning.

Conclusie

Volgens het tijdschrift Diakonia worden er in 1966 in Sittard 33 woningen gebouwd voor de laatste gezinnen die nog in het klooster wonen. De woningen bevatten een grote woonkamer met zit- en eethoek, een keuken plus wasruimte met lavet, verder vier slaapkamers en een vliering. De woningen worden opgetrokken in baksteen. Er wordt ook een kerk gebouwd die plaats zal bieden aan 72 personen, met een toren van gewapend beton. Op de begane grond van het hiernaast geprojecteerde jeugdcentrum komen een consistoriekamer, een kamer voor de dominee, een garderobe en sanitaire voorzieningen; op de verdieping komt het jeugdlokaal. In Rijckholt was er een goede verstandhouding met de lokale bevolking, waarbij contacten stand hielden ook na verhuizingen. En volgens William kwamen nog regelmatig oud-bewoners terug om een kijkje te nemen op de plaats waar ze gewoond hadden. Het is dan ook een mooie locatie die sowieso het bezoeken waard is.

Blik in de huidige B&B kamer met karakteristieke ramen en dikke muren die vergelijkbaar zijn met de kamers waar de molukse bewoners in zaten.

Koudekerke: zoek de verschillen

Enkele weken geleden schreef Jobbe een blog over onze presentatie op de Reuvensdagen (een congres voor Nederlandse archeologie). Wij benadrukten de urgentie van het onderzoek naar Molukse woonoorden, omdat de overblijfselen voor onze ogen verdwijnen. Nu was ik toevallig van de week op google earth aan het kijken omdat we wilden uitproberen hoe je een interactieve map kunt maken met je eigen locaties. En dan ga je naar de plaatsen die je het makkelijkst herkent omdat er nog duidelijke sporen zijn. Dus hup naar Koudekerke op de kaart. Tot mijn verbazing zag ik onderstaande.

Boven Koudekerke zoals het was toen we het bezochten, beneden Koudekerke nu.

De barak rechtsboven is met de grond gelijkgemaakt. Gelukkig waren we bij ons eerste veldwerk al in Koudekerke geweest. Toen sprak degene die ons rondleidde nog van renovatie en dachten wij dat, net als bij de andere barakken, de bestaande structuur zou blijven bestaan. Er is duidelijk gekozen voor een meer rigoreuze aanpak. We kunnen natuurlijk boos naar de eigenaar kijken, maar dat is niet eerlijk. Zij hebben de gebouwen al jaren in bezit en hebben het recht om te moderniseren. Zolang de overblijfselen van woonoorden geen status krijgen, kan de eigenaar er mee doen wat hij of zij wilt.

Ik denk niet dat we alles moeten willen bewaren, want we moeten nu ook leven. Maar het zou goed zijn als er in ieder geval een plicht tot documentatie komt. Het hoeft hier niet om dure opgravingen te gaan, een bouwhistorisch onderzoek is vaak genoeg. De resten kunnen fotografisch vastgelegd worden. De geschiedenis van de woonoorden is fragmentarisch vastgelegd en beschreven. Er komen steeds meer boeken uit met de herinneringen of fictieve verhalen over de Molukse woonoorden. De fysieke overblijfselen krijgen minder aandacht. Terwijl het juist nu lijkt dat er een hernieuwde belangstelling is voor deze geschiedenis. Volgend jaar is het zeventig jaar geleden dat de eerste Molukse woonoorden bewoond werden. Het is dan ook zonde als de laatste tastbare stukjes zonder documentatie zomaar verdwijnen.

Het meest zuidelijke kamp Eijsden Capucijnenklooster.

Inleiding

De dag voor de harde lockdown gingen wij naar zuid Limburg. De reis was al langer gepland en we hadden nu vrije dagen. We verbleven in Rijckholt (daar een volgende keer meer over) en wandelden op een zeer aangename middag naar Eijsden. De omgeving is een rare mix van natuurschoon, industrie, en snelweg. Via de Capucijnenstraat kwamen we Eijsden binnen en liepen we naar de straat die nu Bellefleur heet.

De straat Bellefleur met om de hoek de straat Loenen waar vroeger het Capucijnenklooster stond.

De plek van het klooster

Op deze plek stond vroeger het klooster, dat ongeveer in de achtertuinen zal hebben gelegen. De geschiedenis van het klooster en haar verbouwingen is lang en omvat een kasteel als voorloper. De plek moet echter niet verward worden met Huis Breust wat meer ten westen lag. Eind negentiende eeuw werd het gebouw een Capucijnenklooster. In april 1951 kwamen de Molukse bewoners in het klooster wonen. Terwijl zij daar zaten werd het klooster in 1955 overgenomen door het missiehuis Mariannhill zij zouden het grote gebouw niet gebruiken. De Molukse bewoners zouden er echter tot 1962 blijven wonen. Waarna in 1968 het gebouw werd verkocht en later gesloopt. Het enige fysieke overblijfsel van het klooster is een muurkruis dat enkele jaren geleden werd gerestaureerd en op de Loenen is neergezet, recht tegenover de locatie van het oude klooster.

Het muurkruis van het Capucijnenklooster geplaatst aan de Loenen.

Het kruis verwijst alleen naar de kerkelijke historie. Er is geen herdenkingsplaat of tekst voor de Molukse bewoning.

In verschillende bronnen is wel iets te vinden over de Molukse bewoners. Opvallend is hoe vaak Eijsden genoemd wordt voor hulpacties in het Gereformeerd Gezinsblad. Naast kleren en speelgoed wordt er ook geld ingezameld voor bijbels (sommige in Maleis) en andere godsdienstige literatuur en later zelfs muziekinstrumenten. Er is ook een uitwisseling tussen de mensen in het woonoord en de protestantse gemeente in Maastricht, waarbij men elkaar bezoekt. Sowieso gaat de berichtgeving vooral over de interacties met de lokale gemeenschap. Zo zijn de Molukse bewoners aanwezig bij herdenkingen in het dorp en helpt men bij de fruitpluk.

Die goede berichten lijken over een te komen met de herinneringen van mevrouw Hennie Nikijuluw die in een interview voor Zicht op Maastricht aangeeft dat schoolkinderen en vrienden van buiten graag naar het klooster komen om te spelen. Ook had men wat meer ruimte. De familie van mevr. Nikijuluw had in het klooster drie slaapkamers, een zitkamer en een keukentje. Men had in het begin eten gekregen via de centrale keuken in het klooster, maar kookte later zelf. De kinderen werden met de bus naar de Suringarschool gebracht net als de kinderen uit Rijckholt.

In 1962 verlaten de Molukse bewoners het klooster en gaan verspreid over Zuid-Limburg wonen. Vaak in speciaal daarvoor aangelegde straten. Enkele gezinnen gingen in ieder geval in de wijk Heer in Maastricht wonen.

Conclusie

Het contrast tussen dit woonoord in Eijsden en het vorige onderzochte woonoord Oude Zeug kan niet veel groter zijn. Dit laat zien dat er niet één verhaal te vertellen is over de Molukse woonoorden. Elk verhaal voegt iets toe aan ons beeld. Zo vlak voor de lockdown op een mooie decembermiddag was het in ieder geval een plezier om naar Eijsden te komen, ook al is het woonoord verdwenen.

Oude Zeug Strafkamp in de kop van Noord-Holland

Inleiding

Op een grijze gure dag, begin december bevonden wij ons in de kop van Noord-Holland vlak bij het IJsselmeer. De dijk blokkeerde het zicht terwijl alle andere kanten de kleivelden zich oneindig uitstrekte. Wij waren hier uit vrije wil op deze niet uitnodigende plek, dat kan niet gezegd worden van de Molukse bewoners van kamp Oude Zeug die hier voor straf geplaatst werden.

Kamp Oude Zeug ten noorden van de Zeugweg.

In januari 1955 werden drie gezinnen uit kamp de Beenderribben gedwongen verhuisd naar Oude Zeug na onenigheden over de uitkering van zakgeld en kledingbonnen. Zij waren onderdeel van een kleine politieke groepering de P.N.M.S. (Partai Nasional Maluku Selatan) onder leiding van de heer Siwaletti (Overijsels Dagblad). Twee ander gezinnen werden naar Heythuizen gestuurd. In oktober van datzelfde jaar werden drie gezinnen uit Middelburg ook naar Oude Zeug gestuurd, wederom in verband met het niet uitbetalen van zakgeld. Ook hier werden twee andere gezinnen naar Heythuizen gestuurd (De Maasbode en De Tijd). Deze mensen waren tevens lid van de P.N.M.S.. Dat het kamp Oude Zeug als een straf werd ervaren blijkt uit hetgeen dat volgde.

Een paar maanden later lieten de mensen die uit Middelburg kwamen al van zich horen. Volgens de website van Noordkop Centraal en de Telegraaf vond het volgende plaats: Enkele Ambonezen vonden het verblijf aldaar zo mensonwaardig dat ze besloten een brief te schrijven naar de burgemeester van Wieringermeer en de koningin. Ze schreven ”Wij verkiezen de dood boven de verkrachting van het recht en de tirannie van het Commissariaat Ambonezenzorg”. Ze verzochten samen met hun gezinnen gefusilleerd (doodgeschoten) te worden.

In augustus 1956 werde nog eens negen gezinnen van P.N.M.S. gedwongen naar Oude zeug te verhuizen. Zij kwamen uit Beenderribben (Latoepeirissa, Amapunja en Siwalletta), Middelburg en Burgsluis (Algemeen Handelsblad, Trouw). Een ander deel van de P.N.M.S. werd wederom naar Heythuizen gestuurd. Het blijft echter onrustig en in oktober worden de heren Amanopunja en Mariva (en Siwalette uit Westkapelle) naar de gevangenis in Den Haag gestuurd als ongewenste vreemdelingen omdat zij blijven protesteren tegen de zelfvoorzieningsregeling (Het Vaderland en Trouw). Het moeilijke bij deze berichten in de krant is dat de spelling van de namen steeds veranderd en het niet duidelijk is of bv Amapunja, Amapoenja en Amanopunja dezelfde persoon zijn. Het lijkt alsof men de namen fonetisch opschreef.

Kamp Oude Zeug met Nissenwoningen, foto: MHM F93_1114

Rustig bleef het niet in Oude Zeug want twee dagen later moest ene J.L. voor de politierechter verschijnen omdat hij de opperwachtmeester een smeerlap had genoemd en de Nederlandse regering vies. Hij zou ook andere aanzetten tot opstandig gedrag. Er werd een zware straf van vier maanden gevangenis geëist. Hier wordt nog eens duidelijk hoe hard er tegen de Molukse bewoners opgetreden werd, als zij ook maar het lef hadden om zich uit te spreken tegen de autoriteiten of zich weigerde neer te leggen bij de situatie.

Uit lezersbrieven van Het Vaderland twee weken later blijkt echter dat niet iedereen het eens is met de behandeling van de Molukkers. Vooral het bestempelen van hen als ongewenste vreemdelingen en de hardere aanpak in vergelijking met Nederlanders wordt bekritiseerd. Dit verhindert echter niet dat in december mensen uit de kampen Oude Zeug, Westkapelle en Beenderribben naar het voormalige rijksopvoedingsgesticht De Kruisberg te Doetinchem worden gebracht waar zij niet uit weg kunnen omdat zij wederom als vreemdelingen worden bestempeld.

Het verzet in de P.N.M.S. kampen gaat door, kinderen zijn al maanden niet naar school geweest en er is weinig eten. In februari worden er opnieuw 5 mensen uit Oude Zeug geïnterneerd in de gevangenis van Scheveningen. In maart 1957 geeft vanuit de gevangenis de leider Siwaletta per brief het advies om de strijd op te geven en zich neer te leggen bij de nieuwe regeling. Het verzet breekt en de gevangenen worden vrijgelaten en teruggestuurd naar hun eigen kampen. Men weigert echter te gaan werken omdat men het geld toch gedeeltelijk moet inleveren. De kinderen krijgen fietsen om naar school te gaan. In 1961 zal een deel van de bewoners als onderdeel van een grotere groep van ongeveer 250 mensen terug gaan naar Indonesië met als einddoel Ambon (Volkskrant) .

Oude Zeug nu.

Kamp Oude Zeug is nu een opslagterrein, de wal stamt nog uit de tijd van het kamp.

Een grijze dag is misschien wel de beste dag om een kamp als Oude Zeug te bezoeken. De wal om het terrein is nog over en biedt bescherming tegen de snerpende wind. Aan de achterkant is de wal deels verdwenen. Het terrein zelf is afgesloten met een hek en bevat enkele half ommuurde plaatsen die voor de opslag van materiaal dienen. Er is geen herinneringsbordje, maar dat verwacht je ook niet bij een strafkamp. Dit is wel een laatste restant uit een roerige tijd waar verzet tegen de Nederlandse regering tot uiting kwam. Misschien niet een plek van goede herinneringen, maar zeker een plek om niet te vergeten.

Binnenterrein van kamp Oude Zeug nu.

Kamp Q blijkt om de hoek te liggen

Enkele weken geleden schreef ik over Kamp Q in Slikkerveer en de moeilijkheden die ik had om dit kamp te vinden. Nu blijkt dat ik op de verkeerde plek ben geweest. Wederom met de hulp van Herman Schonewille heb ik nu de juiste locatie gevonden. Hij had een folder van een wandelroute door Ridderkerk gevonden waar de lokatie met coördinaten stond aangegeven. Tevens blijkt er een bordje te staan. Kamp Q wordt in deze wandeling echter het Polenkamp genoemd.

Locatie van Kamp Q en het informatiebordje met rode pijl (GoogleMaps).

We (Jobbe en ik) moesten nog een filmpje maken voor de Reuvensdagen. Dit is het jaarlijkse congres voor Nederlandse archeologie waar wij een pleidooi houden voor aandacht voor de Molukse sporen in de archeologie. Dus op naar Slikkerveer om nu de juiste plek vast te leggen. Vergelijk je echter onderstaande foto en kaart met bovenstaande foto dan is het meteen duidelijk dat op deze plek ook niets is overgebleven van kamp Q.

Blauwe pijl: locatie van kamp Q, gele pijl: verkeerde locatie.

Op de kaart is duidelijk te zien hoe de vergissing tot stand kan zijn gekomen. Bij de gele pijl was vroeger een grote loods aanwezig. Bij de blauwe pijl staan echter meerdere lange gebouwen wat beter met de foto overeenkomt. Het brede rode vlak is waarschijnlijk de loods links op de foto en het wat smallere rode vlak de woningen.

Bord bij Kamp Q, hier het Polenkamp genoemd.

Als we het bord bij kamp Q lezen worden we echter weinig wijzer van de Molukse politiemannen die hier gezeten hebben. Hun aparte verhaal als verstekelingen is weggelaten. Doordat zij geplaatst zijn in een rijtje van Poolse en Spaanse gastarbeiders, lijkt het wel alsof zij hier alleen maar kwamen omdat zij werk zochten. Verder worden zij aangeduid als Ambonezen. Deze benaming stamt uit de tijd ver voordat dit bord geplaatst is. Ik vraag mij af, en misschien kunnen de lezers mij hierbij helpen, hoe de huidige generaties over de omschrijving Ambonezen in plaats van Molukkers denkt. Volgens mij wordt door het gebruik van de term Ambonezen de link met de huidige Molukse bevolking moeilijker gelegd. Bovendien laat het zien hoe weinig de Nederlanders aandacht hebben voor de geografie van het gebied, waarbij één eiland voor het groter geheel van de vele eilanden staat. De diversiteit binnen de Molukse gemeenschap wordt zo geminimaliseerd.

Panoramafoto van kamp Q, het witte stipje bij de verkeersdrempel is het informatiebord.

Eindelijk Ruinen Stuifzand.

Inleiding

In enkele vorige blogs heb je kunnen lezen hoe moeilijk het soms is om de juiste locatie bij het juiste kamp te vinden. Vooral als twee kampen vroeger in dezelfde gemeente lagen zoals in Ruinen. Het bleek dat het kamp dat ik als Ruinen Stuifzand had omschreven eigenlijk Ruinen is. En met behulp van de heer Schonewille is de juiste locatie van Stuifzand teruggevonden. Op de terugweg vanuit de Carel Coenraad Polder was het dan ook tijd om eindelijk eens de locatie van kamp Stuifzand te bezoeken, dat nu onder de gemeente Hoogeveen valt.

De locatie van kamp Stuifzand op de overgang van de Wijsterseweg naar de Vamweg.

Stuifzand

Stuifzand is niet het gene waar je direct aan denkt als je er staat. Het mais stond tot boven onze hoofden. En dat zegt ongeveer meteen wat er van het kamp nog te zien is. Niets, maar dan ook helemaal niets. Geen bordje wat herinnert aan de geschiedenis van de plek. Gewoon een maisveld langs een klein weggetje met op de achtergrond de VAMberg. De afvalstortplaats bestond al ten tijde van het kamp, maar op oude kaarten lijkt de omvang pas eind jaren zestig begin jaren zeventig echt tot wasdom te komen. De bewoners van het kamp kwamen in Nederland aan op 29 april 1951 met de New Australië, via Amsterdam. In de Trouw staat dat in november van dat jaar er enkele gezinnen (CRAMS) bijkomen uit Barneveld de Biezen en/of de Schaffelaar. Zij zijn voor straf verhuisd voor het intimideren van een medebewoner en de daarop volgende onlusten. Wat de invloed was van hun komst in zo’n klein kamp is niet in de krant terecht gekomen. Er woonden in totaal zo’n veertig mensen in het kamp Stuifzand dat vrij klein is, met twee woonbarakken, een keuken, wasruimte, beheerderswoning, kantine en pompstation voor water. Het woonoord is in ieder geval tot 1962 bewoond geweest.

De topografische kaart uit 1951 laat zien dat het kamp in de open ruimte ligt.

Conclusie

Het woonoord is een voormalig DUW-kamp en in de oorlog is het ook gebruikt als Joods werkkamp. Verder is er weinig informatie te vinden over het kamp. Dit wordt bemoeilijkt door de naam Stuifzand, die bij digitale zoekopdrachten allerlei stuifzanden geeft behalve wat je zoekt. Dit is typisch een klein kamp dat in de vergetelheid dreigt te geraken. Maar het is toch minstens tien jaar het thuis geweest van een kleine groep Molukse bewoners.

Kamp stuifzand zoals het nu is.